DE OORLOGSTIJD [ verslag ] [ HOME ]

Dit onderwerp is jaren lang onbesproken gebleven. Niet alleen in Naarden maar in heel Nederland. Er lagen enorme gevoeligheden binnen de politie. De laatste jaren is dat taboe doorbroken en wat er bekend werd in de loop der jaren, vulden collectief het gat in het geheugen van de politie. Er zijn na de het verschijnen van de boeken van Lou de Jong heel wat publicaties verschenen.

In het bekende boek "De Zwarte Politie 1940 - 1945 van Bert Huizinga en Koen Aartsma staan in het voorwoord twee zinnen.

'Er is geen systeem te bedenken of er zijn mensen die het willen uitvoeren'.

Dan dit........
Vraag: Wat is gehoorzaamheid?
Antwoord: Gehoorzaamheid is doen wat gevraagd, bevolen, geëist, gelast wordt. In belangrijke dingen is dat vaak moeilijk, omdat daarbij niet zelden van ons wat gevraagd wordt wat wij niet willen.
Vraag: Aan wie zijn wij gehoorzaamheid verschuldigd?
Antwoord: Wij zijn -en dat weten wij als gezagsdragers zo goed- gehoorzaamheid verschuldigd aan hen die over ons gesteld zijn, aan onze superieuren. En of die superieuren ons bevallen of niet, of wij ze willen erkennen of niet: wij hebben hen te gehoorzamen.

(Uit: De Christelijke Politieambtenaar, 1 mei 1938)

Houdt bovenstaande goed in gedachte als u het hier onderstaande relaas gaat lezen.

Door een korpslid is in de jaren 1988 tot 1990 een onderzoek in gesteld naar een voorval dat zich in 1943 heeft voorgedaan in Naarden. Van het voorval is proces verbaal opgemaakt en aangeboden aan de burgemeester van Naarden. Een uittreksel van dit proces verbaal, geschoond van namen omdat die afkomstig zijn uit gesloten dossiers is destijds aan alle korpsleden aangeboden. Een kopie van dit boekwerkje kunt u nu lezen. Destijds werd er nogal op aangedrongen, met name door de regionale pers, om er bekendheid aan te geven. Er is toen om verschillende redenen voor gekozen om dit niet te doen. Nu 26 jaar na dato doen wij dit wel.

 

ALLE JONGBLOED

Zoals beloofd op dinsdag 22 mei 1990 op de halfjaarlijkse korpsbijeenkomst, zal ik een zo gedetailleerd mogelijk verslag geven van mijn onderzoek inzake Alle Jongbloed. Grote gedeelten van hetgeen u nu gaat lezen zijn overgenomen uit het proces-verbaal dat ik heb opgemaakt. Zo nu en dan heb ik gedeelten weg gelaten. dan wel toegevoegd. Ik heb met name het rode potlood gehanteerd bij in het proces-verbaal vermelde namen. Ook van voormalige collega's, leden uit het verzet en veroordeelde personen zijn de namen geschrapt. Wel heb ik fotokopieén van verschillende bijlagen bij- en tussengevoegd. Ik hoop dat het geheel een goed beeld geeft van mijn onderzoek en dat het voldoende aanvulling dan wel verduidelijking is van hetgeen ik die middag gezegd heb.

In de loop van het jaar 1988, werden door de oud-adjudant van gemeentepolitie J. Bekendam artikelen geschreven over zijn ervaringen als politieman in de tweede wereldoorlog, in het clubblad van de Naardense Politie Sport Vereniging. In één van deze artikelen schreef hij dat in augustus 1943 een Naardense politieman was gearresteerd door de SD omdat hij handelingen had verricht die in de ogen van de bezetter schadelijk waren. De naam van deze politieman was Alle Jongbloed. Na zijn aanhouding was nooit meer iets van hem vernomen. Hij zou om het leven zijn gekomen in een Duits concentratiekamp.

Omdat het mij bevreemdde dat aan deze politieman na de oorlog, ter herinnering of ter nagedachtenis, nooit enige aandacht is geschonken, nam ik contact op met Bekendam. Deze zei mij, dat het gedrag van Jongbioed in de oorlog ten opzichte van Joden hier geen aanleiding toe had gegeven. Hij zou daden hebben begaan die niet bepaald verheffend waren en het was niet nodig gevonden om na de oorlog enig eerbetoon aan de man te besteden. Ondanks het feit dat Bekendam, Jongbloed maar ongeveer 3 weken in de politiedienst had meegemaakt. was hij op basis van zijn wetenschap over het verdere verloop van de oorlog en de daarna gevolgde zuivering, van mening dat na 1945 bepaalde zaken met betrekking tot Jongbloed toch niet helemaal zorgvuldig waren afgewerkt. Het leek hem nuttig om één en ander eens te onderzoeken, ondanks de mogelijk naar voren komende neveneffecten.
Ik besloot, omdat het mij intrigeerde, uit eigen vrije wil en zonder daartoe bekomen opdracht te hebben gekregen van wie dan ook, de oorlogsgeschiedenis van Alle Jongbloed te onderzoeken. Omdat de aanwezige bescheiden in veel gevallen strikt vertrouwelijk zijn en het niet is toegestaan afschriften te maken of te bezitten en bij het proces-verbaal te voegen, heb ik gemeend, datgene wat mij ter kennis is gekomen, ambtsedig te moeten verantwoorden in een proces-verbaal en niet af te doen bij rapport.

Wijlen ALLE JONGBLOED, geboren te Ooststelling-werf op 19 augustus 1898 was ten tijde van zijn arrestatie in de rang van opperwachtmeester-rechercheur werkzaam bij de gemeentepolitie Naarden. Hij was woonachtig in de gemeente Naarden, H. van Eijckenstraat 73, later vernummerd in 81. Hij trad vermoedelijk op 6 september 1921 als agent van gemeentepolitie te Naarden in overheidsdienst nadat zijn aanstelling als onbezoldigd rijksveldwachter op 20 september 1921 na eedsaflegging voor de Kantonrechter te Hilversum, was bekrachtigd. Jongbloed was gehuwd met Maria Petronella Post. Uit dit huwelijk werden vier kinderen geboren, te weten twee jongens en twee meisjes. Ik startte mijn onderzoek in de maand oktober 1988 in het archief van ons eigen korps. Van belang voor mij waren de volgende documenten:
- de dagrapporten van de jaren 1940 t/m 1946:
- de dossiers van de administratie van het korps;
- de maandverslagen gericht aan de procureur-generaal;
- de misdrijven en de daarvan opgemaakte processen verbaal uit de oorlogsjaren;
- de processen-verbaal afkomstig uit de administratie.
Eind februari 1989 had ik het archief doorgewerkt. Mij bleek dat de dagrapporten geen feiten van betekenis bevatten, die voor het onderzoek van belang zouden zijn. Wel viel het op dat het dagrapportenboek van 1943 niet meer aanwezig was. Ik kreeg trouwens de indruk dat de dienstdoende politiemensen er wel voor hadden gewaakt feiten te vermelden die later gevolgen zouden kunnen hebben. Men bleef zeer oppervlakkig en mutaties van politieke aard kwamen dan ook niet voor. In één van de ongeveer 20 dossiermappen trof ik dossier 1543 van het jaar 1943 aan. In dit dossier bevinden zich de stukken die betrekking hebben op A. Jongbloed. Waarom deze, in 1946. zijn geborgen in een administratienap uit 1943 is mij niet duidelijk geworden. Bovendien is het vreemd dat deze stukken. die als vertrouwelijk kunnen worden beschouwd ten opzichte van betrokkene, daar zijn opgeborgen. Dit hoort in een persoonsdossier. In de archiefdozen waarin de misdrijf processen-verbaal zijn opgeborgen vond ik diverse stukken, door Jongbloed opgemaakt alsmede de daarbij behorende Duitse vertaling. In het maandverslag voor de procureur-generaal over de maand augustus 1943 wordt melding gemaakt van de arrestatie van Jongbloed. Meer informatie werd in het archief niet aangetroffen.

Door het lezen van een grote hoeveelheid archief-materiaal uit de oorlogsjaren, kon ik mij een beeld vormen van de werkzaamheden die zoal werden verricht. Ik vond werk van alle collega's en dus ook van Jongbloed. Zowel op crimineel als op politiek gebied werden er werkzaamheden verricht en in beide gevallen kon geconstateerd worden dat Jongbloed in aantal en aard zijn collega's niet overtrof. Ik vond stukken die betrekking hadden op de arrestatie van Joden, het verbaliseren van winkeliers die de distributievoorschriften overtraden of waren aan Joden verkochten. Ook verantwoordingen. betrekking hebbend op Joden die de ster niet droegen en allerhande kleine werkzaamheden passeerden de revue. Het feit dat Jongbloed bij de recherche werkte heeft er wel toe bijgedragen dat zijn naam veelvuldiger in het archief voorkomt dan de naam van zijn collega's uit de uniformdienst. Dit gold uiteraard ook voor zijn collega-rechercheurs. Er kon nauwelijks een bevredigend antwoord worden gegeven op een aantal vragen die mij voor ogen stonden. Hoe was de houding van Jongbloed ten opzichte van de bezetter, hoe heeft hij zich gedragen tegenover de Naardense bevolking enzovoort.

In de ambtelijke stukken werd de indruk gewekt dat Jongbloed in de oorlog fouten had gemaakt, waarvoor mij zich, indien hij de oorlog had overleefd, had moeten verantwoorden. De in die stukken aangevoerde argumenten hadden een bescheiden karakter vergeleken met zaken die ik in het archief van Jongbloed's collega's ben tegen gekomen. Ik begon mij af te vragen op grond van welke feiten en ik bedoel bewijsbare feiten, antwoord werd gegeven op de in de correspondentie voorkomende vragen. Aan niemand, behalve de in oorlogstijd met Jongbloed gediend hebbende collega's kon dit worden gevraagd. Ook vroeg ik mij af welke waarde er moet worden gehecht aan een proces-verbaal uit 1948 dat door een collega is opgemaakt en een zeer summiere verslaglegging bevat van een meer dan één dag durende terechtzitting in Vught, contra Jongbloed. Dit proces-verbaal is ook nog voorzien van een niet ondertekende verklaring van een collega die. zoals mij later bleek, oneervol uit de dienst werd ontslagen. Ik kreeg mijn twijfels omtrent de gegeven adviezen. Zoals uit de stukken blijkt overleed Alle Jongbloed aan het einde van de oorlog in het Duitse concentratiekamp Neuengamme. Door zijn dood heeft hij zich voor de zuiveringscommissie niet kunnen verdedigen voor de misstappen die in de stukken gesuggereerd worden. De aanleiding voor zijn arrestatie wordt evenmin helemaal duidelijk. Het vernietigen van compromiterende papieren van een arrestant in het bijzijn van twee collega's komt niet erg geloofwaardig over. Dit wordt versterkt door de wel zeer vage weergave in het eerder genoemde proces-verbaal over de terechtzitting in Vught.

Ik besloot, mij te wenden tot de nog in leven zijnde leden van het voormalig verzet in de gemeente Naarden. Omdat ik totaal geen inzicht had in de structuur en samenstelling van mogelijke verzetsgroepen, moest ik op grond van mijn plaatselijke bekendheid bij een aantal mensen starten die ik dan ook in de week van 10 t/m 15 april 1989 heb bezocht. Deze gesprekken leidden ertoe dat ik mij een andere voorstelling moest maken over het functioneren van de politieman Jongbloed in oorlogstijd, dan de ambtelijke stukken deden voorkomen. Athans, zo werd het verwoord door de personen die ik daarover sprak. Het beeld dat de voormalige verzetsmensen van Jongbloed hebben geschetst wil ik als volgt verwoorden.

Jongbloed was een stille. stugge man die over het algemeen zijn eigen gang ging en zich niet veel met andere mensen bemoeide, noch privé, nocn in dienst met zijn collega's. Hij was ook niet popu-lair bij de Naardense bevolking. Zijn optreden. dat getuigde van streng- en doortastenoneio zonder aanziens des persoons, kwam nogal dienstklopperig over. Fout was fout en hij of zij die het betrof kon na een confrontatie met Jongbloed een formele aanpak tegemoet zien. liet uitbreken van de oorlog bracht geen verandering in deze houding. Hij werd dan ook bij de bevolking niet gezien als een innemende persoonlijkheid waar je op af liep. Ook werd duidelijk dat hij niet fout was, maar wel fouten had gemaakt. Die fouten werden hem door deze verzetsmensen niet zwaar aangerekend omdat dit ruim voldoende gecompenseerd was. Die compensatie bestond uit handelen in het belang van het Naardense verzet. Jongbloed was van belang geweest. Men is nog steeds verbolgen over het feit dat zijn nagedachtenis niet is bevorderd maar dat hij gewoon is doodgezwegen. Bovendien is zijn weduwe met vier kleine kinderen, na de oorlog achtergebleven zonder behoorlijke bron van inkomsten. Zij heeft moeten leven van het bestaansminimum. Leden van het voormalig verzet hebben mevrouw Jongbloed geholpen bij de juridische procedures ter verkrijging van een buitengewoon pensioen ingevolge de wet B.P.R. Er was destijds een lange procedure gevolgd, waarbij er bij de stichting 1940-1945 op aan was gedrongen een gunstig advies uit te brengen, hetgeen er toe zou moeten leiden dat aan haar het pensioen uitbetaald zou worden. Uiteindelijk is dit gelukt.

Bij enkele leden van het voormalig verzet liepen tijdens de gesprekken de emoties hoog op. Om niet het risico te lopen daardoor een foutieve voorstelling van zaken te krijgen waardoor de objectiviteit in het geding zou komen, besloot ik deze mensen voorlopig niet meer te bezoeken.

Na afloop van deze oriënterende gesprekken combineerde ik datgene wat van belang was met de feiten die ik wist en zag dat er een aantal tegenstrijdigheden waren. Onderzoek in Naarden bleek moeilijk omdat veel mensen die de feiten kenden niet meer leven. Daaronder ook oud-politiemensen. Ook achtte ik hetgeen mij nu verteld zou worden na zoveel jaren niet geheel objectief meer. Om meer gegevens te verzamelen kwam ik terecht bij de stichting 1940-1945, districtskantoor Utrecht, waaronder het Gooi ressorteert terwijl mij ook werd geadviseerd kontakt op te nemen met het Ministerie van Justitie, archief bijzondere wetten te s-Gravenhage.

Voorlopig had ik geen belangstelling om inzage te krijgen in de zuiveringsdossiers, omdat Jongbloed niet was gezuiverd en ik nog geen inzicht had in het verloop van de zuiveringen. Mocht het van belang worden dan kon ik alsnog trachten inzage van deze stukken te krijgen.
Op dinsdag 11 april 1989 had ik een gesprek met de heer G.L. Zieltjes, onderdirecteur van het districtskantoor van de stichting 1940-1945. Omdat net onmogelijk was documenten te verkrijgen of te vermenigvuldigen, zal ik zo nauwkeurig mogelijk verslag doen van hetgeen met hem besproken werd. Nadat ik het doel van mijn komst uiteengezet had en hem de in mijn bezit zijnde documenten had laten lezen, was de interesse van Zieltjes gewekt en kwam het dossier Jongbloed-Post uit het archief. Hieruit bleek dat mevrouw Jongbloed op 18 met 1973 is overleden. Alle Jongbloed is, volgens de stichting, op 11 januari 1945 overleden aan bloeddysenterie en ondervoeding in het concentratiekamp Neuengamme in Duitsland. In 1945 was aan de weduwe Jongbloed een buitengewoon pensioen toegekend. In 1953 werd dit pensioen ingetrokken, terwijl het, na een procedure, in 1956 wederom werd toegekend. Tot haar dood heeft mevrouw Jongbloed het genot van dat pensioen gehad. De stichting opgericht in de oorlogsjaren met het doel om mensen te helpen die door het oorlogsgeweld in nood waren gekomen, waarbij het met name ging om mensen die invalide waren geworden of in geestelijke nood verkeerden. Ook weduwen van mannen die ten gevolge van oorlogshandelingen om het leven waren gekomen vielen onder de doelgroep.
In 1945, na de bevrijding, was de situatie in ons land onoverzichtelijk. Veel mensen uit de concentratie-kampen waren nog niet terug of hebben aldaar het leven gelaten. Omdat Jongbloed deel uitmaakte van de laatste groep en de situatie op dat moment nog te verward was om een deugdelijk onderzoek te doen, werd op haar verzoek aan de weduwe Jongbloed snel een buitengewoon pensioen toegekend. In de loop van 1948, werd door de stichting een onderzoek gestart naar de gedragingen van Jongbloed tijdens de oorlogsjaren, met de bedoeling zijn gedrag te toetsen aan vastgestelde criteria om te komen tot het afgeven van een verzets- en waardigheidsverklaring. In het dossier Jongbloed-Post waren aanwezig, de documenten van een groot aantal verhoren, ingezonden brieven, eindverslagen van de onderzoekers en bescheiden betreffende het financiele verloop van het pensioen. De verhoordocumenten hebben betrekking op leden van het Naardens verzet, leden van het politiekorps Naarden en Naardense inwoners die onderduikadressen hebben gehad voor Joden. Er zijn ook korpsleden die niet zijn gehoord maar zelf met de hand geschreven verklaringen hebben ingezonden omtrent de gedragingen van Jongbloed. Passages uit de documenten werden aan mij voorgelezen door de heer Zieltjes of hij stelde mij in de gelegenheid om ze zelf te lezen. Met name uit verzetskring werd zeer positief gesproken over Jongbloed die zich, zo kon uit de verhoren opgemaakt worden, op positieve wijze inzette voor de verzetsgroepen in Naarden. Daarbij heeft hij risico's genomen en een aantal activiteiten kan als volgt worden samengevat. Ten behoeve van verzetsmensen heeft hij wapens geleverd met de bijbehorende munitie: Bonkaarten leverde hij aan mensen die Joodse of Nederlandse onderduikers in huis hadden: Hij waarschuwde als het verzet bij een actie risico liep. Met name in de beginjaren van de oorlog heeft hij de groep Dubelaar diverse keren voor vroegtijdige arrestatie van een aantal van naar leden behoed. Ook bij de arrestatie van verzetsstrijder Schimmel is door Jongbloed een belangrijke rol gespeeld. In de genoemde stukken ontbreken details omdat de meeste leden van het Naardense verzet in de tweede helft van 1943 al gearresteerd waren. In de verklaringen van politiemensen viel hiervan niets terug te vinden. Zieltjes verwees mij hiervoor naar de zuiveringsstukken. Verder werd duidelijk dat Jongbloed belastende documenten tegen Schimmel had vernietigd alsmede stukken die van grote waarde waren en beslist niet in handen van de bezetter mochten komen. Ook heeft hij een rol gespeeld bij de ontsnapping van een persoon uit de illegaliteit die na zijn aanhouding op het politiebureau in Naarden verbleef. Jongbloed's arrestatie zou het directe gevolg geweest zijn van het vernietigen van documenten tijdens het transport van Schimmel naar Amsterdam. Of het de SD bekend is geworden dat Jongbloed ook thuis documenten heeft vernietigd kon niet achterhaald worden.

Uit de verhoren en de eigenhandig geschreven verklaringen van politiemensen bleek dat men ernstige bezwaren ten opzichte van Jongbloed had, die als een slecht vaderlander werd gekwalificeerd. Hij zou, zowel in opdracht als op eigen initiatief, hebben meegewerkt aan de arrestatie van Joden. Hij zou zich in het dagelijks leven als een Jodenhater hebben opgesteld. Een korpslid verklaarde dat hij (Jongbloed) dit in woord en geschrift niet onder stoelen of banken stak en zich er niet aan stoorde om in het bijzijn van anderen dit kenbaar te maken. (Deze verklaring is met de hand geschreven en door mij gelezen). Ook werd Jongbloed verweten een grote rol te hebben gespeeld bij de arrestatie van 4 Joden in het gezin Snel aan de Oud-Blaricummerweg te Naarden. Ook aan de arrestatie van de heer Snel zou Jongbloed schuld hebben. In het dossier Jongbloed bevond zich ook het verhoor van Mr.C. Schaap korpschef van gemeentepolitie te Naarden in de eerste oorlogsjaren voordat de SS-oberleutnant Spannenburg werd aangesteld. Schaap stelde zich gematigd op met betrekking tot Jongbloed. Uit zijn verhoor bleek niet dat Jongbloed zich in negatieve zin had onderscheiden van zijn collega's door laakbare handelingen. De onderzoekers van de stichting 1940-1945 adviseerden om het buitengewoon pensioen dat mevrouw Jongbloed kreeg stop te zetten omdat Jongbloed niet voldeed aan de criteria voor het afgeven van de verzets- en waardigheidsverklaring. Zo'n verklaring, aldus Zieltjes, wordt in een advies aanbevolen ais uit onderzoek blijkt dat betrokkene zich ten opzichte van het verzet zeer positief heeft gedragen of dat het verzet daadwerkelijk hulp is geboden, dan wei verzetsdaden zijn gepleegd. Ook moet blijken dat iemand zich verder als een goed vaderlander heeft gedragen. Het moge duidelijk zijn dat uit het onderzoek van de stichting 1940-1945 bleek, dat Jongbloed zich tweeslachtig had gedragen. Zieltjes gaf mij de verzekering dat dit gegeven niet op zichzelf stond, maar bij onderzoeken vaker voor kwam. Bij de stichting bestond grote twijfel over de persoon Jongbloed en Zieltjes meende dan ook dat het toen genomen besluit terecht was geweest. De compensatie voor zijn fouten was te gering geweest en in 1953 werd het pensioen stopgezet.

De weduwe Jongbloed is tegen dit besluit in beroep gegaan dat echter werd afgewezen. Gesteund door voormalige leden van een Naardense verzetsgroep, schreef mevrouw Jongbloed een brief aan de Neder-landse Vereniging van Ex-Politieke Gevangenen, met het uitdrukkelijke verzoek er bij de stichting 1940-1945 op aan te dringen opnieuw een onderzoek te starten om toch te komen tot afgifte van de verzets- en waardigheidsverklaring. De strekking van de brief werd mij medegedeeld waaruit bleek dat de belangrijkste motivatie was gelegen in het feit dat men de betrouwbaarheid van het Naardense politiekorps in twijfel trok. Op grond van deze brief werd het onderzoek heropend. Andere onderzoekers van de stichting kregen de opdracht en alle bescheiden die betrekking hebben op dat onderzoek bevinden zich in het dossier. Hen heeft zich voornamelijk gericht op het politiekorps en dat bracht opmerkelijke feiten aan het licht. Door de onderzoekers is dat duidelijk verwoord in hun eindconclusie. Een aantal zaken met betrekking tot de Joden arrestaties bleken anders te zijn verlopen dan in het vorige onderzoek gerelateerd. De betrokkenheid van Jongbloed werd niet ontkent, maar het van hen uitgegane eigen initiatief werd nu betwijfeld. Ook bleek betrokkenheid van andere korpsleden bij een aantal eerder onderzochte zaken en er werd vastgesteld dat niet alles op net conto van Jongbloed geschreven kon worden. Zijn gedrag bleek in het algemeen niet veel af te wijken van dat van anderen. De zaak Snel bijvoorbeeld lag ook anders. De Joden waren inderdaad aangehouden in de woning van deze Naarder, maar Jongbloed was in gezelschap van een collega. De aanhouding was volgens plan verlopen, maar het initiatief had niet alleen bij Jongbloed gelegen. Ook Snel was niet door hem aangehouden. Een dag na de arrestatie van de Joden, was Snel in zijn woning door Jongbloed aangezegd zich de volgende dag op het politiebu-reau te melden, in verband met de gebeurtenissen van de vorige dag. Die volgende dag (Jongbloed was vrij en niet op het bureau) meldde Snel zich op het bureau tot stomme verbazing van de wachtcommandant. Deze zei letterlijk: "Wat ben jij een klootzak om hier te komen". De onderzoekers waren van mening dat Jongbioed niet verweten kon worden dat Snel naar het bureau was gegaan, terwijl de handelingen van Jongbloed wel als een waarschuwing beschouwd konden worden. Hij had Snel de gelegenheid gegeven anders te handelen dan hem was ge-zegd. Snel werd in het bureau ingesloten, maar drie maanden later in verpand met zijn hoge leeftijd weer vrij gelaten. Zo waren er meer zaken.

In het eindverslag gaf één van de onderzoekers aan, dat het hem de grootste moeite had gekost om politiemensen uit Naarden te bewegen een nieuwe verklaring af te leggen. In de meeste gevallen lukte dit niet. Men gaf ruiterlijk toe dat men liever geen nieuwe verklaring aflegde, omdat men er bang voor was dat deze in strijd zou zijn met eerder afgelegde verklaringen. Er was geen behoefte om eerder verstrekte gegevens te wijzigen of af te zwakken. Deze reden tot weigering bevreemdde de onderzoekers in hoge mate.

Mits zijn geheugen hem in de steek laat, zal de mens altijd in staat zijn, zich de waarheid te kunnen herinneren. Leugens kunnen een reden zijn om bang te zijn voor een hernieuwde verklaring over hetzelfde onderwerp. De eerste verhoren van de onderzoekers van de stichting 1940-1945 waren nog geen vijf jaar ervoor afgenomen.

Jongeren uit het korps en bedoeld werd de mensen die in de oorlogsjaren in net korps waren gekomen. voelden er ook niet veei voor een verklaring af te leggen, omdat zij bang waren voor represailles met betrekking tot hun carrière bij de politie. Oe onderzoekers omschreven de situatie in het korps als zeer onfris. Er heerste wantrouwen en de onderlinge verstandhouding was verre van optimaal. Die toestand heerste volgens hen in Naarden al vanaf het einde van de oorlog tot 1955 toe. Men concludeerde dat de meeste korpsleden met betrekking tot hun oorlogsverleden "boter" op het hoofd hadden als het ging om een oordeel te vellen over een collega. Men had in afgelegde verklaringen Jongbloed zaken verweten waar men zelf ook schuldig aan was. De onderzoekers waren van mening dat de verwijten contra Jongbloed best waarheden bevatten, maar men kon zich niet aan de indruk onttrekken dat de meeste korpsleden van de gelegenheid gebruik hadden gemaakt om hun schuld aan verwijtbare zaken wat te verlichten of totaal af te schuiven naar Jongbioed. De risico's waren klein, want Jongbloed was toch dood. Zieltjes verklaarde verder dat de verhoren van de stichting vergeleken werden met de verhoren afgenomen tijdens de zuiveringen. De meeste korpsleden moeten dat hebben geweten. Omdat er toch feiten waren contra Jongbloed bleef er twijfel. Omdat nu, bij het tweede onderzoek, de objectiviteit van de verklaringen van de politiemensen in twijfel werd getrokken, was men van mening dat Jongbloed zijn fouten voldoende had gecompenseerd. Op grond hiervan werd in 1956 besloten om de verzets- en waardigheidsverklaring af te geven. Dit gaf de weduwe Jongbloed tot aan haar dood het recht op buitengewoon pensioen. Op mijn vraag hoe Zieltjes de in het openbaar geuite anti-joodse uitlatingen van Jongbloed inschatte, gaf hij het volgende antwoord. Indien deze beschuldigingen aan het adres van politieambtenaren voorkomen in verklaringen, dan wordt daar door de stichting niet zo zwaar aan getild bij de beoordeling. Anti-semitisme kwam in die tijd veel voor, met name in katholieke kringen en de stichting beschouwd dat, zoals we dit nu noemen "wachtkamercultuur". Zieltjes was ervan overtuigd dat er toen en ook nu, discriminerende opmerkingen werden en worden gemaakt ten opzichte van minderheden. Nu zijn het Turken, Marokkanen enzovoort, toen waren het Joden. Hij hechtte dan ook geen waarde aan die beschuldigingen in de afgelegde verklaringen. Een dergelijke uitleg stelde bepaalde mensen in een kwaad daglicht. Hij stelde de toenmalige onderzoeker dan ook in het gelijk aan dit feit te zijn voorbij gegaan.

Op grond van het afgeven van de verzets- en waardigheidsverklaring kan worden gesteld dat een rehabilitatie door de Staat heeft plaats gevonden, terwijl uit het dossier blijkt dat ook de gemeente Naarden Jongbloed in ere heeft hersteld. Zieltjes bracht zijn eindconclusie als volgt onder woorden:

Alle Jongbloed kan aangemerkt worden als een goed vaderlander. die ten behoeve van het verzet waardevolle dingen heeft gedaan ondanks de risico's hieraan verbonden, zowel voor hem zelf als voor zijn gezin. Daar staat tegenover dat hij ambtelijk zaken heeft verricht waarvoor verantwoording noodzakelijk geweest zou zijn. Verlichtend werken de verklaringen van collega's welke bij nader onderzoek niet geheel juist bleken te zijn. Voor de stichting is Jongbloed iemand geweest die moeilijk op zijn daden te beoordelen was, zodat men moeilijk tot een juist oordeel kon komen. De samen-stelling van het dossier zal nooit veranderen. De verklaringen, van wie dan ook en waarvan de mees-ten overleden zijn, staan nog altijd overeind en zijn niet te herroepen. Gesteld kan morden dat Jongbloed bij de stichting het voordeel van de twijfel heeft gekregen waarbij zwaar weegt dat hij de oorlog niet heeft overleefd op grond van door hem in de politiedienst verrichtte handelingen, die in het nadeel van de bezetter zijn geweest.

Onderzoek bij de afdeling personeelszaken van de gemeente Naarden bracht aan het licht dat er een personeelsdossier van Jongbloed bestaat, doch het is gering van omvang. Het betreft hoofdzakelijk stukken betrekking hebbend op de financiële afhandeling van de bezoldiging. Twee stukken zijn de moeite waard. Eén stuk heeft betrekking op Jongbloed's schorsing met ingang van 1 februari 1944, bij besluit van de burgemeester van Naarden d.d. 16-02-1944, met inhouding van een gedeelte van het salaris, in verband met verduistering van belastende documenten van arrestanten. Dit stuk was niet met inkt ondertekend door de burgemeester die de straf had opgelegd maar er was slechts een onduidelijke paraaf met potlood zichtbaar. Het andere is een besluit van het college van burgemeester en wethouders waarin wordt vermeld dat per 23 oktober 1948 de opgelegde straf d.d. 01-02-1944 is herzien en dat bij nader besluit de rechtspositie in zijn geheel is herzien (rehabilitatie). Dit nadere besluit bevindt zich niet in het dossier. Tevens werd bepaald dat een verrekening zou plaats vinden in verband met de schorsinginhoudingen. Dit lezend werd het mij duidelijk hoe slecht de weduwe Jongbloed het met haar vier kinderen ten tijde van de schorsing heeft gehad. Eénderde van de bezoldiging plus een tijdelijk buitengewoon pensioen (een gering bedrag) en dat tot 1948. De archivaris van de gemeente heeft onderzocht of er melding van was gedaan in de verslagen van de collegevergaderingen. Dit is niet het geval geweest.

Ingegeven door de verslaglegging bij de stichting 1940-1945. besloot ik contact op te nemen met de oud-korpschef. mr.C. Schaap, thans 71 jaar en wonende te De Bilt. In de jaren 1941-1942 en van mei 1945 tot en met oktober 1945 werkzaam als korpschef in Naarden, ex-lid van de centrale raad van beroep van de stichting 1940-1945 en ex-lid van de zuiveringscommissie die onder andere in Naarden werkte.

Hij zei het volgende: In de jaren 1941 en 1942, was ik als korpschef van gemeentepolitie de hoogste chef van Alle Jongbloed die als opperwachtmeester-rechercheur werkzaam was bij de afdeling recherche. Hij was chef van die afdeling. Ik heb Jongbloed leren kennen als een ietwat norse man die nogal eens uit zijn humeur was. Er waren momenten dat hij bepaald niet prettig in de omgang was. lk vond het een echte Fries, niet erg spraakzaam, in zijn antwoord kortaf en hij kon in zijn opstelling nogal eens rechtlijnig zijn en zwart-/wit denken. Hij had, voor zover mij bekend, weinig contacten. Hoe de contacten met de burgerij waren kan ik moeilijk beoordelen. Hij was een zeer goed politieman, punctueel in zijn werk en niet omkoopbaar. Hij had weinig vrienden, ook bij zijn collega's. Het is moeilijk om een uitspraak te doen over zijn activiteiten in de oorlogsjaren. In de tijd dat ik korpschef was deed de politie nog gewoon naar werk en was politiek niet actief. ik kan van die tijd weinig vertellen. Totdat Spannenburg kwam was het rustig in Naarden. Een korpschef verkeerde in die tijd in een moeilijke positie omdat je een schakel was tussen bezetter en personeel. Dat bracht onder andere met zich mee dat je weinig hoorde, met name over de gedragingen van het personeel. Men was voorzichtig. Ik hoorde in ieder geval van Jongbloed, door zijn geringe spraakzaamneid, weinig. Ik kreeg overigens niet de indruk dat hij met zijn mogelijke activiteiten te koop liep. Zoals ik al eerder zei, hij was er de man niet naar om veel te praten. Bij de bevolking stond hij naar mijn mening bekend als een strenge politieman waarmee niet te spotten viel. Ik kan u niets vertellen over zijn mogelijke verzetsactiviteiten, daarvoor moet u bij het Naardens verzet zijn. Over mogelijke activiteiten in negatieve zin kan ik u het volgende vertellen. Jongbloed voerde die opdrachten uit die ook door anderen werden uitgevoerd. En dat waren allerlei werkzaamheden, in hoofdzaak politietaken. Echter ook werkzaamheden die met de bezetting te maken hadden, zoals het naleven van distributievoorschriften, verduisteringsvoorschriften, handhaven spertijd, controleren van de Jodenster en nog heel veel andere zaken. Jodenarrestaties kwamen eind 1942 nog niet voor net zo min als het houden van razzia's op onderduikers. Tijdens de zuiveringen heb ik kennis genomen van handelingen die je kwalijk zou kunnen noemen. Maar of hij daarvoor ten volle verantwoordelijk gesteld had kunnen worden weet ik niet omdat het nooit onderzocht is. Zoals bekend eindigt strafvordering door de dood van de verdachte. Jongbloed is naar mijn mening niet te betichten geweest van activiteiten in negatieve zin waarbij hij zelf het initiatief had genomen. Was dit zo geweest, dan had ik dat moeten weten. Het is echter wel zo dat iedere individuele politieman werd opgezadeld met werkzaamheden terwijl hij zelf moest beslissen of het werk in overeenstemming was met zijn geweten. Opleiding en praktijk hadden hem geleerd te luisteren en opdrachten stipt uit te voeren en er niet bij stil te staan of het handelen wel verantwoord was. Toch waren er dingen te doen waarvan je wist dat het niet goed was en die je liever niet deed. Weigerde je een opdracht dan kon je er zeker van zijn dat daar gevolgen aan verbonden waren. Onderduiken was dan de enige remedie. Maar ook dat viel niet mee, want waar moest je heen en hoe kwam je aan inkomsten, het-geen met name voor collega's die gehuwd waren en/of kinderen hadden een probleem was. U kunt zich misschien voorstellen dat je er soms niet aan ontkwam om, in de ogen van burgers onaangename dingen te doen. Zo heb ik bijvoorbeeld de eigen burgemeester moeten arresteren. Ik kon in dat geval geen kant op, want Spannenburg, de SS-er. stond naast mij. Bij de zuiveringen heeft men dat goed aangevoeld door politiemensen bepaalde zaken niet aan te rekenen. Ik heb Jongbloed nooit handelingen zien verrichten waardoor hij in negatieve zin opviel. Een rol speelt wel, dat zijn arrestatie midden 1943, er voor zorg heeft gedragen dat de kans om fouten te maken beperkt is gebleven tot drie en een half jaar. Immers. midden 1943 werd hij gearresteerd, terwijl zijn collega's de zeer moeilijke laatste anderhalf jaar van de oorlog hebben meegemaakt. Ik heb in ieder geval bij de zuiveringen gemerkt dat zijn collega's, althans een aantal van hen, in ambtshandelingen hun boekje te buiten zijn gegaan. Dit is ook wel gebleken toen een aantal van hen, na de zuiveringen hun biezen kon pakken. Ik denk dan ook dat Jongbloed, voor zover ik dat kan beoordelen, een goede kans zou hebben gehad om de zuiveringen door te komen. Een voorval waarbij ik betrokken was zal ik u niet onthouden. Medio 1942 hadden we een man in de cel die iets met de Bussumse illegaliteit te maken had. Waarvoor hij zat weet ik niet precies meer. Ik herinner mij wel, dat ik op een goede dag in de lp-kamer zat, toen een hevig tumult beneden in de wacht uitbrak. lk ging de trap af en hoorde dat de arrestant was ontvlucht. Door feiten en omstandigheden(ik moest de zaak in opdracht van de Duitsers onderzoeken) ben ik er van overtuigd dat Jongbloed deze ontsnapping mogelijk heeft gemaakt. Ondanks een grote zoekactie werd de man nooit meer gevonden. Een probleem waar ik mee te maken kreeg was ruzie tussen Jongbloed en een brigadier uit de uniformdienst. Ze konden, om het zo eens te zeg-gen, elkaars bloed wel drinken. Ik weet het niet zeker, maar die onenigheid zou met bevordering te maken hebben gehad. Overigens was die brigadier niet de beste uit het korps. Ik moest in 1942 uit Naarden weg om de Germaanse opleiding voor politieofficieren gedwongen te volgen. Omdat ik weigerachtig was deze nazi-opleiding te volgen werd ik gearresteerd en geïnterneerd in het kamp Vught. in de winter van 1944 kwam ik daar Alle Jongbloed tegen. Hij vertelde mij dat hij was gearresteerd omdat hij tijdens het per auto overbrengen van een arrestant naar Amsterdam, compromitterende papieren tegen deze persoon had vernietigd. Hij was in afwachting van zijn proces. Zoals van Jongbloed bekend, bleef zijn spraakzaamheid daartoe beperkt. Ik heb hem daarna nog maar enkele keren gezien, want met 15000 gevangenen, tamelijk gescheiden ondergebracht, kom je elkaar niet zo vaak tegen. lk weet nog dat hij de rode driehoek op zijn kleding droeg ten teken dat hij politiek gevangene was. Dit in tegenstelling tot mij zelf. Ik viel onder de categorie "strasse und nebel verhaftung". In datzelfde jaar ben ik overgebracht naar het kamp Amersfoort waar ik tot de bevrijding ben gebleven. Na de oorlog kwam ik in Naarden terug, min of meer als korpschef, hoewel dat niet mijn hoofdtaak was. lk was werkzaam als lid van de zuiveringscommissie en niet alleen in Naarden. Het was een hectische tijd, waarbij de politie nog niet in staat was de normale taken te verrichten. Men was drukker met de eigen organisatie. Over de zuiveringen kan ik, zonder namen te noemen, het volgende zeggen. Het onderzoek naar de gedragingen van Naardense politiemensen tijdens de oorlogsdagen, gebeurde grondig. De man werd aangesproken over bewijsbare. laakbare gedragingen en kon zich dan, al dan niet voorzien van juridische bijstand, verweren. De uiteindelijke beslissing werd genomen door het militair gezag. Ook tegen die beslissing was weer beroep mogelijk. Door de zuiveringen ontstond in het Naardense korps een grimmige stemming. Tijdens de verhoren trachtte men met alle bruikbare middelen van zichzelf een zo goed mogelijk beeld te schetsen. Men wist dat dit ten koste van elkaar ging. Maar de baan en de broodwinning stonden op het spel en men ontzag elkaar niet. Het is dus meer dan voorspelbaar, zonder daarbij inhoudelijk op de door mij gevoerde verhoren in te gaan, dat Jongbloed een flink portie schuld werd toegeschoven. Hij was op dat moment niet in het korps en het was twijfelachtig of hij ooit nog terug zou komen. Gelet op mijn ervaringen in Naarden en later ook in De Bilt en de wetenschap. opgedaan in andere korpsen, kan ik u met zekerheid zeggen dat wantrouwen en soms ook haat bij veel politiekorpsen tot ver in de vijftiger jaren een rol heeft gespeeld. Ook in Naarden werden mensen overgeplaatst of geruild, dit in het belang van henzelf of de bevolking. Dit gebeurde vaak als de ambtenaar niet gestraft werd maar het toch niet verantwoord was als hij bleef functioneren in het korps. Om op Alle Jongbloed terug te komen, het bevreemdt mij dat er nooit meer over de man is gesproken en dat hij zo in het vergeetboek is geraakt. lk geef u de verzekering en uit hoofde van mijn vroegere functie bij de stichting 1940-1945 kan ik dat weten, dat als aan een persoon de verzets- en waardigheidsverklaring is afgegeven, deze zich op buitengewone wijze voor het land heeft ingezet. Zo'n verklaring krijg je niet zo maar. Hij heeft actief verzet gepleegd tegen de bezetter en is een meer dan goed vaderlander geweest. De brief die u mij laat lezen, geschreven en opgesteld door Aug.Jacobs, wijs ik als een twijfelachtig stuk van de hand. lk vind het slecht onderbouwd, zegt weinig en bevat tegenstrijdigheden. Hoe heeft hij zich laten informeren en op grond waarvan heeft hij dit geschreven? Ik bevat dat niet. Tot slot ben ik van mening dat u zich goed moet realiseren, dat, wat Jongbloed ook heeft gedaan, hij dit met de hoogste prijs. namelijk zijn leven, heeft betaald. Dat moet toch, ook in het onderzoek als een pré overkomen. lk wens u veel succes en hoop het eindresultaat te mogen vernemen.

Na het gesprek met de heer Schaap heb ik gesprekken gehad met een aantal Naardense inwoners die betrokken zijn geweest bij het verzet. Het past niet om hun namen te noemen of hun verklaringen te vermelden. Wat zij te vertellen hadden kwam in het algemeen als positief over met betrekking tot Jongbloed. Hij en nog enkele politieambtenaren vormden een uitzondering in het korps. Dat korps werd in zijn algemeenheid omschreven als een club waar je als verzetsman niet veel aan had. Ze liepen niet in de weg, maar profijt had je beslist niet van ze. Over Jongbloed werden mij een aantal feitelijkheden verteld betreffende zijn gedragingen en houding ten opzichte van het verzet. Met name over een arrestatie bij Oud Naarden. Ook over zijn activiteiten in het begin van de oorlog en zijn hulp aan de eerste verzetsgroepjes werd duidelijkheid verschaft.

In de stukken bij het rijksinstituut voor oorlogs-documentatie te Amsterdam zocht ik naar van belang zijnde documenten. Wat was van belang:
- mogelijk aanwezige documentatie van Jongbloed:
- aanwezig materiaal over J. Schimmel en de be-trokkenheid van Jongbloed;
- wat ik verder van belang tegen zou komen.
In de documentatie over de verzetsgroep Wolf, "Vliegende brigade" stond te lezen dat deze werd opgericht in oktober 1942 en op 9 september 1943 voor een groot deel werd opgerold. Van die groep
maakten deel uit:

Lois Boissevain, overleden 1 oktober 1943
Johan Kemper, overleden 23 oktober 1943
Martinus Raben, "
Herman Ruys, "
Johan Schimmel, "
Willy van Breukelen, "
Rein de Vries, agent van politie te Bussum, overleden te Neuengamme 17 februari 1945;
Fr. te Hennepe terug gekeerd uit Neuengamme;
W. Hillen "
Dr. F.M. Kooyman. terug gekeerd uit Dachau
K. Raben "
L.G. Wolf niet aangehouden, wist te ontsnappen
I. Haan "

Wolf en Haan zijn na de oorlog met elkaar getrouwd en wonen nu in Arnhem. Kemper kwam als laatste bij de organisatie, want hij had eerst in de 0.D. samengewerkt met Theo Cobbe en overste Versteegh in de groep C.S. 6. Beide laatstgenoemden zijn doodgeschoten.
De groep had contacten met:
a. de 0.D. te Utrecht;
b. restant C.S. 6;
c. de Dienst Willem (een spionagegroep);
d. de groep van D. Zwen (L.O. en R.v.O.);
e. de groep X;
f. de groep Jan Gazan en Ds. Van der Weg uit Bussum.
De groep (Vliegende brigade) was zeer actief in het Gooi en omgeving Utrecht, op allerlei gebied. Zij was ondermeer verantwoordelijk voor de overval op het distributiekantoor te Huizen op 19 juli 1943. Hieraan nam ook Johan Schimmel deel. De groep is verraden door een Hilversummer. Deze was getipt door een onbekende beroepssoldaat woonachtig in Bussum die zijn mond voorbij had gepraat in een café, na het nuttigen van alcohol. De informatie was afkomstig van Herman Ruys, zijnde een lid van de groep. Schimmel werd aangehouden en naar Amsterdam overgebracht door de Naardense politie. Een van de politiemensen was Jongbloed. Op verzoek van Schimmel heeft Jongbioed belastende papieren contra Schimmel uit het raampje van de auto gegooid. De papieren maakten deel uit van Schimmers fouillering. Schimmel kwam terecht in de strafgevangenis te Scheveningen. Bij hem in de cel werd een provocateur geplaatst die door Schimmel in vertrouwen is genomen. Schimmel heeft aan hem uitgebreid verteld hoe in Bussum het verzet georganiseerd was en wat de activiteiten geweest waren. Ook heeft hij uit de doeken gedaan wat de rol van Jongbloed was geweest, wat er tijdens het transport was gebeurd en welke beloften Jongbloed nog had gedaan. (Hier wordt mogelijk mee bedoeld het weghalen en verbranden van documenten bij Schimmel thuis).

Naar aanleiding van dit "praten" van Schimmel werd op 9 september 1943 haast de complete groep V.B. gearresteerd in de Jeugdkapel aan de Meentweg te Bussum. L.G. Wolf en I. Haan wisten te ontkomen omdat zij, wantrouwig als zij waren, voortijdig de kapel hadden verlaten (vermoedelijk omdat de auto van de S.D. in de omgeving was gezien). Een dag later, 10 september 1943. werd Jongbloed gearresteerd. Het het onderzoek tegen de verzetsgroep, met name tegen Jongbloed, werden belast:
Emil Ruhl, kriminalsecretär;
Friedrich Vierman, SD-rechercheur;
Hans Fiebahn, SD-rechercheur.
Deze drie Duitsers werden na de oorlog gehoord door L.G. Wolf, speciaal om vast te stellen wie de groep V.B. had verraden. Verslagen van deze verhoren, maakten deel uit van vertrouwelijke justitiegegevens zodat ik de inhoud niet kan vermelden. Ik acht het wel verantwoord enkele indrukken weer te geven. In de auto waarin Schimmel naar Amsterdam werd gebracht, bevonden zich, buiten Schimmel drie politiemensen waaronder Jongbloed. Dat hij de documenten heeft vernietigd is zeker. Tevens staat vast dat dit het belangrijkste feit is dat aanleiding gaf tot zijn arrestatie. Ook staat vast dat praten van Schimmel oorzaak van de aanhoudingen is geweest. Het Is vrijwel zeker dat Jongbloed tijdens zijn verhoren niet is mishandeld. Het feit dat de kriminalsecretär zich zelf met Jongbloed's verhoor belastte geeft aan dat hij belangrijk werd gevonden. De verslagen van de verhoren van de leden van de verzetsgroep en Jongbloed zijn niet bewaard gebleven. Agent Rein de Vries werd op 29 september 1943 gearresteerd. De leden van de groep, die in oktober 1943 om het leven kwamen, zijn allen in de duinen bij Velsen doodgeschoten. De beide politiemensen (Jongbloed en De Vries) werden na verhoor overgebracht naar de gevangenis in Scheveningen. Via het kamp Vught werden Zij getransporteerd naar Duitsland alwaar zij. kort na elkaar, in het concentratiekamp Neuengamme aan uitputting en dysenterie zijn overleden. Het R.I.O.D. heeft zelf informatie verzameld van het L.O. in het Gooi naar aanleiding van verhoren en zelf geschreven verslagen van bewoners en leden van het verzet. De feiten en indrukken die ik kreeg zijn als volgt te verwoorden. Verzetsactiviteiten vonden in Naarden weinig plaats als wij dit vergelijken met andere Gooise gemeenten. vermeld werd welke politiemensen actief in het verzet waren. Uit Naarden stond niemand vermeld. De waarde die hieraan gehecht moet worden is betrekkelijk, omdat het aantal groepen in aantal aanzienlijk was en men soms van elkaars bestaan niet af wist. In het Gooi circuleerden grote hoeveelheden bonkaarten, buit gemaakt door en afkomstig van verzetsgroepen (V.B. en C.S.6).
Gelet op eerdere informatie en gelezen deze documenten, verstevigd het mijn vermoeden dat Jongbloed contacten gehad moet hebben met één of meer verzetsmensen. Hij was lange tijd constant voorzien van een aanzienlijke hoeveelheid bonkaarten. Verder bleek dat het verzet in Naarden weinig steun kreeg van gemeente-ambtenaren die in de positie verkeerden om steun te kunnen verlenen. Gelet op de geringe informatie afkomstig uit Naarden. zijn er maar weinig mensen geweest die hun verhaal aan het papier toevertrouwden. Velen hebben er kennelijk na de capitulatie van Duitsland een punt achter gezet en zijn over gegaan tot de orde van de dag.
lk legde contact met L.G. Wolf die best bereid bleek te praten maar zich niets kon herinneren van Jongbloed, ondanks het feit dat hij de naam verschillende keren noemde. Op advies van verschillende mensen had ik op vrijdag 2 juni 1989 een gesprek met een man uit het Naardense verzet. Hij is één van de weinige persoonlijke vrienden van Jongbloed geweest en kende hem derhalve goed. Met de kennis die ik op dat moment had kon ik gericht vragen. In zijn eigen woorden vertelde hij het volgende: Ik maakte deel uit van één der eerste Naardense verzetsgroepen. Deze kwam al tot stand in het jaar 1940 omdat wij het al snel niet eens waren met de bezetting. Ik ben mij er nu van bewust dat we te vroeg begonnen omdat het ons ontbrak aan contacten en organisatorisch vermogen. We hielden ons voor-namelijk bezig met kleine sabotagedaden tegen alles wat Duits eigendom was en we stalen munitie en springstoffen uit Bastion Oranje waar de Duitsers het hadden opgeslagen. We kwamen daar binnen, door met een bootje over de vestinggrachten te varen en gingen dan via de schietgaten naar binnen. Het gestolene verdween naar het Naardermeer waar het betrekkelijk eenvoudig verstopt kon worden. Mijn contacten met Alle Jongbloed waren de volgende. Ik kende hem van voor de oorlog, omdat wij beiden bestuurslid waren van de postduivenvereniging Naarden. We konden goed met elkaar opschieten en mijn vrouw en ik waren één van de weinigen waar hij privé mee omging. Toen de oorlog uitbrak bleef het contact bestaan en op een gege-ven moment droeg Jongbloed kennis van mijn activiteiten in het verzet. In de loop van het eerste oorlogsjaar begon hij zich steeds meer te manifesteren als een man die waarschuwde en tips gaf. Hij heeft ons er diverse keren voor behoed dat we gepakt werden tijdens onze activiteiten. Met name het inbreken in fort Oranje. Ook waarschuwde hij ons voor een praatgrage politieman. We hebben daar toen rekening mee kunnen houden. Toen na verloop van tijd de risico's te groot werden vroeg ik aan Jongbloed of hij voor mij een wapen kon versieren. Na verloop van tijd kwam hij met een 9 mm cilinderrevolver aanzetten met munitie erbij. Toen ik na de oorlog terug kwam heb ik dat wapen, dat ik voor mijn vrouw verborgen had gehouden, afgegeven bij het vestingmuseum. Dat was wel een flink aantal jaren na de oorlog. Na het verraad vermoedde ik dat men mij zocht. Op een goede dag stonden er twee leden van de groene politie voor mijn woning. Ik ben toen achter mijn woning uitgevlucht en ondergedoken bij een collega van mij. Later realiseerde ik mij dat thuis de gehele administratie van de duivenvereniging lag en ik was bang dat Jongbloed risico's zou lopen als de Duitsers dat zouden vinden. De volgende dag ben ik naar huis gegaan, heb de hele zaak vernietigd en mijn wapen buiten het huis verstopt. Ik heb mijn vrouw toen verzocht Jongbloed te halen en heb hem gevraagd om mij te arresteren om hem dekking te geven. ik was trouwens ook bang voor mijn vrouw; de Duitsers konden represailles nemen. Jongbloed weigerde en zei dat hij een fiets, geld en een onderduikadres voor mij had in Friesland. Ik heb gezegd hiervan geen gebruik te maken uit vrees voor mijn vrouw. De volgende dag heb ik mij gemeld op het politie-bureau. Ik was niet bang omdat ik wist dat een eerder gearresteerde maat niet zou door slaan. Ondanks de mishandeling is dat ook niet gebeurd. Een dag na de arrestatie ben ik door een politieman in de motor met zijspan naar Amsterdam gebracht. Deze vroeg mij tevoren wel of ik van plan was om onderweg uit het bakje te springen. Ik heb hem beloofd dat niet te zullen doen. Hij was bang dat hij moeilijkheden zou krijgen. In Amsterdam ben ik door de S.D. gehoord en heb mij behoorlijk uit de moeilijkheden moeten praten. Daarna ben ik overgebracht naar de gevangenis in Scheveningen. Vandaar heb ik brieven naar huis kunnen sturen die toen nog niet gecensureerd werden. Ik heb daar in aangegeven waar, ten behoeve van onze groep, springstoffen verborgen lagen. Alleen ik wist die plaats. Ze lagen in een ondergrondse opslag op een plaats waar tegenwoordig de volkstuintjes langs de Rijksweg liggen. Omdat al mijn maten gearresteerd waren, heeft mijn vrouw aan Jongbloed gevraagd de zaak op te ruimen. Hij heeft beloofd dit te zullen doen, maar heeft nooit verteld of de explosieven er nog lagen of al weg waren en zo ze er lagen waar hij ze heeft gelaten. Na de oorlog heb ik nog een briefje gelezen dat hij aan zijn vrouw had geschreven vanuit Duitsland. Veel kan ik mij daar niet meer van herinneren, maar ik weet nog wel dat daar in stond dat zijn collega's hem erg tegen gevallen waren. Zo'n zinsnede blijft je bij. Voorts kan ik nog vertellen dat Jongbloed na 1941 wekelijks bonkaarten bij mijn vrouw kwam brengen die bestemd waren voor een gezin aan de Verlengde Portlaan te Naarden. Er zaten daar Joodse mensen in huis. Wij hebben daar altijd bewondering voor gehad. Naar mijn mening is Jongbloed een goed vaderlander geweest die te kort is gedaan. Ik durf nu nog mijn handen voor hem in het vuur te steken. Hij was één van de uitzonderingen in het Naardense politiekorps. Na de oorlog, toen ik weer werkzaam was bij de dienst gemeentewerken van de gemeente Naarden, kwam ik nog wel eens op het politiebureau. Er waren daar nog altijd lieden die mij niet recht in de ogen durfden te kijken. Ik weet wel waarom.

Om een volledig beeld te krijgen diende ik een verzoek in om inzage te mogen krijgen in de zuiverings-dossiers van de gemeentepolitie Naarden. Dit werd toegestaan. Op het ministerie van justitie te s'Gravenhage kreeg ik inzage in alle dossiers die van het politiekorps aanwezig waren, te weten 12 dossiers van personeelsleden en een verzamelingsdossier met daarin een eindconclusie over de gedragingen van de personeelsleden in zijn totaliteit. Wel diende ik een verklaring te tekenen betreffende geheimhouding en een aantal voorwaarden waaraan ik mij diende te houden. Deze voorwaarden verbieden mij meer feiten te vermelden en/of openbaar te maken dan In het opgemaakte proces-verbaal zijn vastgelegd. Eerst las ik een proces-verbaal van onderzoek, gecombineerd met een eindconclusie over het korps, opgemaakt door een opperwachtmeester werkzaam bij de rijksrecherche. Deze man was gemachtigd zuiveringsverhoren te doen en ingedeeld bij een zuiveringscommissie. Omdat hij veel onderzoek en verhoren heeft gedaan was hij in staat zich een beeld te vormen van het korps Naarden. Zonder op details in te gaan kan het volgende beeld geschetst worden. Het korps had tot aan het einde van 1942 redelijk gefunctioneerd, waarmee hij bedoeld dat er tot op dat moment geen onvaderlandslievend gedrag te constateren viel. Excessen waren er niet en het werk was hoofdzakelijk normaal politiewerk. Men hield zich wel aan de voorschriften van de secre-tarissen-generaal. De komst van de SS-er Spannenburg die eind 1942 korpschef werd, veranderde veel. Er volgden opdrachten die er op duiden dat de politie hulporgaan van de SD was geworden. Er werden fietsen inbeslaggenomen, alsmede radio's en voedsel dat kennelijk in strijd met de voorscnriften was verkregen. Er volgden arrestaties van mensen die allerlei voorschriften hadden overtreden, nauw verband houdende met de bezetting. Er werden razzia's gehouden op mensen die zich onttrokken aan de arbeidsdienst, politieke delinquenten en Joden. De meeste opdrachten werden gezagsgetrouw uitgevoerd zonder enige vorm van verweer. De bedoelde opperwachtmeester kenschetste het Naardense politiekorps als een groep zonder ruggegraat. In dit kader maakt hij wel een paar uitzonderingen voor met name genoemde (toentertijd) jonge collega's. Hij onderstreepte de mening van oud-burgemeester Boddens Hosang, die in zijn verklaring (aanwezig in het dossier) de mening huldigde dat het het beste zou zijn het gehele korps met ontslag te sturen of over te plaatsen.

In Naarden werden op bevel razzia's gehouden die verschillende doelen beoogden en strikt werden uitgevoerd. De gemeente Naarden huisvestte veel Joden waarvan de meeste aangehouden werden. Een groot gedeelte ervan werd weggevoerd naar vernietigingskampen en kwam nooit meer terug. Veel arrestaties vonden plaats in het bijzijn van Spannenburg maar de teneur is dat een niet onaanzienlijk deel plaats vond op eigen initiatief. Woningen waar Joodse onderduikers werden vermoed, die in de avond en nacht gingen luchten werden opgespoord en postende politieambtenaren volgden deze mensen waarna de aanhoudingen volgden. Oe arrestatie's in de gemeente Naarden, van welke aard ook, werden alleen gedaan door politieambtenaren. Er was nooit SD, SS of Wehrmacht bij aanwezig. In veel gevallen werden de arrestaties verricht door de leden van de afdeling recherche die zich dan ook na de oorlog zwaar hebben moeten verantwoorden. Ook waren er korpsleden die zich verrijkten met zwarte handel. Eén was er die een woning betrok waarin een Joods gezin had gewoond, dat weggevoerd was naar Duitsland, terwijl hij de inboedel voor een schijnbedrag had over genomen. Zo vonden allerlei onsmakelijke voorvallen plaats. De betreffende opperwachtmeester liet in zijn eindconclusie alle politieambtenaren de revue passeren. Ik las dit geschokt en het is niet nuttig hier ook maar iets van te vermelden. Omdat het nog steeds over Alle Jongbloed gaat wil ik wel noemen wat ik over hem tegen kwam. Dat was bescheiden, hetgeen logisch is omdat hij voortijdig werd gearresteerd.

Hij is omschreven als een nauwgezet politieambtenaar met een pro-Nederlandse houding en kon betiteld worden als een goed vaderlander. Wel werd vermeld dat hij zich vaak uitliet als een antisemiet. Anderzijds had hij daden verricht die hem het leven hebben gekost en dat kon niet van anderen gezegd worden. Hun misstappen werden nagenoeg niet gecompenseerd. Een enkele tipte nog wel eens vlak voor een arrestatie of verstrekte nog wel een persoonsbewijs, doch dit kwam weinig voor. Voorwaar een somber beeld van de Naardense politie uit die tijd.

Van elk korpslid dat gezuiverd is bestaat een eigen dossier. Alle passages die van belang waren voor mijn onderzoek heb ik gelezen. In de loop van de tijd was gebleken dat de arrestatie van de verzetsstrijders bij Oud-Naarden als een rode draad door het onderzoek liep. Er bestonden echter onduidelijkheden. 10-tallen verhoren van burgers. leden van het verzet en het verhoor van Spannenburg en de rest van de betrokken politieambtenaren heb ik doorgelezen om duidelijkheid te krijgen. Aan de hand hiervan kan de volgende lezing gegeven worden. Op 19 juli 1943 vond de overval plaats op het distributiekantoor te Huizen door de verzetsgroep 'Vliegende brigade', waarvan Johan Schimmel deel uitmaakte. Plaats van samenkomst was de uitspanning Oud-Naarden, toen genaamd theehuis "De Wijde Blik' en geleid door ene Stulp. Op die plaats kwam de verzetsgroep veel bijeen en hield daar ook schietoefeningen. Zoals eerder vermeld is de verzetsgroep verraden. Dit blijkt uit de justitie documenten bij het R.I.O.D. te Amsterdam. Uit de documenten blijkt dat geen der politieambtenaren, aldaar aanwezig, wist van dit verraad. Alleen Spannenburq die de actie leidde moet dit geweten hebben. In zijn verantwoording na de oorlog, ontkent hij dit en schuift alle schuld naar Jongbloed. Trouwens, uit alle verhoren die ik van Spannenburg las bleek dat zijn verantwoording uit één grote leugen bestond. De erbij betrokken personen waren:

1. Frits Frohn, geboren te Amsterdam, 14 juni 1922. wonende te Amsterdam. Arubastraat 3;
2. Willy van Breukelen, geboren te Amsterdam, 27 februari 1921. wonende te Huizen. Nieuw Bussummerweg 236;
3. Frederik Carl te Hennepe. geboren te Magelang (1101). 27 februari 1920. wonende te Amsterdam. Huijgenslaan 4a;
4. Johan Schimmel. geboren te Amsterdam. 7 april 1919. wonende te Naarden. Ruysdaelplein 4;
5. P.J.A. Spannenburg, oberleutnant (korpschef);
6. een opperwachtmeester rechercheur;
7. een wachtmeester rechercheur;
8. een wachtmeester rechercheur;
9. een agent werkzaam bij de recherche.

Volgens de verklaringen van de politleambtenaren, gingen op de ochtend van de 20e juli 1943, de nrs. 5, 6 en 8 naar het genoemde theehuis om een, voorzover zij wisten, razzia op onderduikers te houden. Het is aannemelijk dat de betrokken politie-ambtenaren (uitgezonderd Spannenburg) niet beter wisten. Om ongeveer 08.00 uur stopt de door 8 bestuurde auto bij het theehuis en de beide anderen dringen direct het pand binnen. Frits Frohn werd in de gelagkamer door Spannenburg gearresteerd. 6 gaat naar boven en houdt daar Van 8reukelen aan die op bed ligt. Nadat hij deze naar beneden heeft gebracht gaat Spannenburg naar boven en vindt onder het kussen van Van Breukelen een doorgeladen FN-pistool. Spannenburq laat vervoigens aan 6 blijken dat de twee (Frohn en Van Kreukelen) wel eens iets met de overval in Huizen te maken konden hebben. De arrestaties vonden plaats terwijl Stulp daarbij was. De 2 arrestanten werden overgebracht naar het politiebureau en aldaar kregen 7 en 9 opdracht om te gaan posten bij het theehuis om nog eventuele anderen te arresteren. Omstreeks 15.00 uur arriveren Te Hennepe en Schimmel bij het theehuis. Ook die beiden worden gearresteerd. De wijze waarop dat plaats vond is niet fraai, zo staat te lezen in de verklaring van Te Hennepe in het zuiveringsverhoor. Door mij werden ook de verklaringen gelezen, van de beide politie-ambtenaren, tijdens het zuiveringsverhoor opge-maakt. De verklaring van Te Hennepe kan als een goed en duidelijk relaas worden gezien. De beide politieambtenaren (7 en 9) vallen elkaar tijdens de verhoren verschrikkelijk af, liegen en schuiven elkaar de verantwoordelijkheid toe, wetende dat zij best de 'andere" kant op hadden kunnen kijken toen de twee verzetsmensen bij het theehuis aankwamen (zij wisten op dat moment immers dat het niet meer om onderduikers ging). Bij Schimmel wordt een geladen vuurwapen aangetroffen. Beide verzetsstrijders worden overgebracht naar het bureau. Dezelfde dag worden de vier arrestanten overgebracht naar de SD aan de Euterpestraat in Amsterdam. Voor wat betreft dit transport is alleen het overbrengen van Schimmel en Te Hennepe van belang. Het relaas dat Te Hennepe tegenover Schaap, lid van de zuiveringscommissie, gaf is juist. Het verbranden thuis van de papieren van Schimmel door Jongbioed staat vast. Dit blijkt uit de stukken van justitie en is in het bijzijn van een Naardense inwoner gedaan. De belangrijkheid van de papieren wordt bevestigd door een Naardense verzetsman, alhoewel dat niet is verwoord in zijn verklaring. Uit alle verhoren is mij gebleken dat Jongbloed de enige politieambtenaar is geweest die nog wat geprobeerd heeft in het belang van de vier verzetsstrijders. De onder 8 genoemde ambtenaar heeft niet daadwerkelijk aanhoudingen verricht en blijft in het onderzoek wat buiten schot. In zijn verweerschriften tijdens de zuivering verdedigde hij zijn positie met grote inzet, als ware hij één van de flinkste. Hier was echter geen aanleiding toe en zelfs tijdens het transport, waar 8 ook bij zat, was Jongbloed weer de flinkste en nam risico's.

Tot slot wil ik vermelden dat nu wel duidelijk is wat Te Hennepe in zijn verklaring onbegrijpelijk vindt, namelijk dat de politieambtenaren hen konden herkennen. De zaak was immers verraden, maar dat wist Te Hennepe tijdens zijn verhoor niet. Met betrekking tot de Joden, aangehouden door de Naardense politie waarbij betrokkenheid bleek van Jongbloed, heb ik onderzocht in hoeverre hij verantwoordelijk moest worden geacht. Ook heb ik onderzocht wat er van deze mensen is geworden. Zonder namen te noemen kan ik hier toch wel het volgende over zeggen. Het ging om 11 vrouwen en mannen. Van deze 11 kwamen er na afloop van de oorlog 2 in Nederland terug (deze 2 zijn inmiddels ook overleden). De andere 9 vonden hun levenseinde in de vernietigingskampen Sobibor en Auschwitz. In één geval was sprake van een stuk verantwoordelijkheid van Jongbloed die verwijtbaar zou zijn geweest. Deze zaak is tijdens de zuiveringsverhoren ook uitgediept vanwege de betrokkenheid van andere politieambtenaren. Vervolgens heb ik onderzocht of de politieman Jongbloed tijdens de zuiveringsverhoren (op dat moment niet meer in leven) werd gebruikt om handelingen die verwijtbaar waren, geheel of gedeeitelijk af te schuiven. Het bleek mij dat ieder dit deed ten opzichte van elkaar en dus ook van Jongbloed. Dit kwam sterk tot uitdrukking in de zaak van de gearresteerde verzetsstrijders en de aanhouding van Joden. Jongbloed was chef van een afdeling en had dus verantwoordelijkheid. Dit had hem, indien hij de oorlog overleefd zou hebben, duur komen te staan. Zijn meeste collega's hadden zich onherroepelijk op hun ondergeschikte rol beroepen als hen dat ook maar even uit kwam. De eerste tekenen daarvan las ik al in de stukken. Na alles gelezen te hebben kreeg ik de indruk dat zowel de onderzoekende opperwachtmeester, als de heer Zieltjes van de stichting 1940-1945 gelijk hadden. Een ieder had boter op het hoofd en na het zuiveringsonderzoek waarbij geroerd werd bleef alleen een beerput over die verschrikkelijk stonk. In sommige verweren werd zelfs de zuiverheid van de verhoorders in twijfel getrokken, dit om ze uit te spelen ten opzichte van de autoriteiten die de uiteindelijke beslissing moesten nemen. Het was misselijkmakend om te lezen.

De aanvang van mijn onderzoek vindt zijn oorsprong in nieuwsgierigheid, geboden door het simpelweg noemen van een naam in een artikel in het clubblad. Ik ben mij er van bewust dat die nieuwsgierigheid is overgegaan in een passie om, zoals ik in het begin heb gedacht. "de waarheid te vinden'. Ik weet nu dat dat nooit zal lukken. Jongbloed alleen wist die waarheid. De waarheid die ik denk te hebben gevonden is gebaseerd op flarden aan feiten en meningen, gegeven door documentatie en gesprekken met mensen die denken mij een geschiedkundig juist verslag te hebben gegeven uit die tijd. In het opgemaakte proces-verbaal is hun verklaring te lezen. Ik heb die mensen echter veel meer bezocht. Ook heb ik mensen gesproken, uren lang, die niet aan het woord zijn geweest omdat ze naar mijn mening niet genoeg feiten konden aandragen. Toch zijn mij dingen verteld die ik niet vergeet en aan mijn meningsvorming hebben bijgedragen. Bij een aantal van die mensen gaf dit "vertellen" problemen. Het oorlogssyndroom sprak.
Ze hebben wel bijgedragen aan de oplossing van de puzzel waar ik mee bezig was. Ik heb geprobeerd zoveel als mogelijk was feiten te verzamelen. Dat is maar ten dele gelukt. Ook kon ik maar een klein deel van de feiten in het proces-verbaal kwijt omdat ik gebonden was aan regels. De rest draagt wel bij aan mijn meningsvorming. Als ik conclusies zou moeten trekken of aanbevelingen zou moeten doen, ben ik mij bewust van de subjectiviteit ervan. Ik vind dat geen bezwaar, want het is een fictie te denken dat men over mensen en hun handelen kan schrijven in bewoordingen die nu of later voor een ieder aanvaardbaar, zogenaamd "objectief" zijn. Als je de geschiedenis van een persoon in oorlogstijd in Naarden, louter in objectieve termen zou willen beschrijven moet dat beperkt worden tot de weersomstandigheden. Ik wil het toch doen, conclusies trekken, niet alleen op basis van feiten, maar ook gebruik makend van de wetenschap die ik nu heb. Het zou zonde zijn om er geen gebruik van te maken. Ik ben van mening dat de door mij getekende verklaringen bij de stichting 1940-1945 en het ministerie van justitie daarmee geen geweld wordt aangedaan.

Aan het einde van de oorlog heeft de aandacht zich gericht op twee categorieën:
zij die fout waren geweest, dat wil zeggen zij die zich uit overtuiging of berekening aan de zijde van de bezetter hadden geschaard en
zij die fouten hadden gemaakt, dat wil zeggen zij die zich inschikkelijk hebben betuigd en daarmee aanstoot gegeven.
De eerste categorie viel onder de bijzondere rechtspleging terwijl de tweede groep zich de zuivering moest laten welgevallen.

De gemeentepolitie Naarden viel in zijn totaliteit onder de tweede groep. Van de 16 aanwezige ambtenaren (inclusief 1 man administratie) werden er 12 gezuiverd. Dit lag ver boven het landelijk gemiddelde. Van de meer dan 20.000 politieambtenaren die in 1945 in dienst waren, zijn van ongeveer 7000 zuiveringsdossiers aangelegd (1 op 3). De stukken geven onomstotelijk weer dat het merendeel van de Naardense politiemensen fouten hadden gemaakt en als goed vaderlander ver onder de maat bleven. Er bestonden verschillen. De afdeling recherche had het beduidend moeilijker dan de uniformdienst, met name de komst van Spannenburg bracht dit met zich mee. Zij werden veel vaker gebruikt voor opdrachten die laakbaar waren dan de uniformcollega's. De uniformdienst maakte zich dienstbaar door distributievoorschriften streng na te leven, fietsen af te pakken, radio's op te halen, voedsel in te nemen, Joden zonder ster te bekeuren enzovoort. Toch heeft de doorsnee Naarder weinig last van de politie gehad. Men werd wel boos als de fiets werd afgepakt maar dit feit gaf na de oorlog toch geen aanleiding om een klacht bij de zuiveringscommissies in te dienen. Men was zich er kennelijk van bewust dat de politie het moeilijk had. De verhoren van burgers gaven dit ook aan. Groepen die de plaatselijke politie vanuit een andere invalshoek beoordeelden, waren het verzet en de groepen Nederlanders die onder de arrestatieslachtoffers vielen (Joden, onderduikers enz.). Uiteraard waren deze groepen uitgebreid in de zuiveringsverhoren terug te vinden. Hun verklaringen droegen er in belangrijke mate toe bij dat onderzoeken tegen politieambtenaren gestart werden. Gelet op de documenten, aanwezig bij de stichting 1940-1945 en het ministerie van justitie, is alleen aandacht geschonken aan zaken waarbij het zijn van een goed vaderlander in het geding kwam. Er werd onderzocht of men zich aan bepaalde opdrachten had kunnen onttrekken, of men initiatieven had genomen en of men foutief gedrag voldoende had gecompenseerd. Men had onder andere het gehele archief van de Naardense politie op de kop gezet. Bij de stukken bevonden zich uittreksels uit dagrapporten en de administratie en mij steek dat ook alle opgemaakte processen-verbaal die voor het onderzoek van belang waren, gekopieerd waren. Dat waren echter alleen stukken betrekking hebbend op de gezuiverde politieambtenaren. Niet van Jongbloed, of zijn optreden was niet solitair geweest. Het moge dan ook duidelijk zijn dat ik de stukken, betrekking hebbend op Jongbloed in het archief vond, althans een deel daarvan.

Allen, niemand uitgezonderd, hebben Joden en andere onderduikers gearresteerd. De verhoren van Naardense burgers die deze mensen in huis hadden getuigen daarvan. Daarbij zijn er Naardense poli-tieambtenaren geweest die in hun ambtelijke ijver nog veel verder zijn gegaan en gelet op de in 1945 aangelegde normen in aanmerking kwamen voor de bijzondere rechtspleging. Het moge alom bekend :ijn dat de in eerste instantie aangelegde normen van het Centraal Orgaan van het ministerie van Justitie spoedig werden verlaten, omdat bleek dat ten het merendeel van de Nederlandse politie ontslagen zou moeten worden.
Ik wil mij ervoor waken de zuivering van de ambtenaren aan de orde te stellen. Bij bestudering van de geschiedschrijving komt men al snel tot de conclusie dat de zuivering te simplistisch is gezien en moet geconstateerd worden dat er twee sectoren zijn geweest waarop de zuivering van meet af aan niets te betekenen heeft gehad, namelijk de politie en het bedrijfsleven. Zoals van toepassing geweest voor de Naardense politie heeft men ten aanzien van de gehele Nederlandse politie gefaald. Had men er ernst mee gemaakt dan had de gehele Nederlandse politie gezuiverd moeten worden. Zoals bekend is dat niet gebeurd.
Hoe moet nu het gedrag van Jongbloed ingeschat worden. Hij werd niet gezuiverd en zijn gedrag kwam alleen in beeld voorzover dit raakpunten had net het gedrag van zijn collega's. De verweerschriften laten zien dat hij zo nu en dan gebruikt werd om het schuldgevoel af te wentelen of om feitelijkheden te verdoezelen. Voorts zijn er stukken zoals processen-verbaal van aanhouding en te processen-verbaal bij het ministerie van justitie en het hele dikke dossier aanwezig bij de stichting 1940-1945. Dit alles geeft onomstotelijk aan dat Jongbloed medewerking heeft verleend aan het arresteren van Joden en andere onderduikers. Dat heeft er onder meer toe bijgedragen dat een groep uit het midden van de samenleving werd weggevoerd en aan de vernietiging prijs gegeven. Hij maakte deel uit van een andere groep van diezelfde samenleving. Het is moeilijk om een oordeel te vellen over dit gedrag als men geen rekening houdt met de omstandigheden van tijd en plaats. Geschiedkundig is aangetoond dat in onze ogen de reacties van Joden en niet-Joden volmaakt onbegrijpelijk waren, wanneer we niet in het oog houden dat vrijwel geen hunner in de jaren 1940 -1945 besefte wat de gedeporteerden te wachten stond. Ja, onheil, maar vernietiging in de gaskamers ?? Een latere generatie en daarvan maken wij deel uit, heeft waarschijnlijk snel de neiging gebruik te maken van het beeld dat nu van die periode bekend is. En dat beeld is duidelijk. Ik wil daar wel aan toevoegen dat het "niet weten" geen vrijwaring van alle schuld zou moeten inhouden voor al diegenen die, al dan niet onder dwang, hun feitelijke medewerking hebben verleend aan deportatie. Men kon aannemen dat deze mensen een onzekere toekomst tegemoet gingen daar in "het oosten". Het spreekt vanzelf dat, als men deze feitelijkheden uit het oog verliest, men tot een scherpere beoordeling zal komen.

Ten aanzien van zijn houding ten opzichte van de bezetter en activiteiten ten behoeve van het verzet, kan duidelijk gesproken worden van hoogstaand gedrag. Voor hen die de Duitse bezetting hebben meegemaakt gold, dat het vaak zeer moeilijk was om de juiste houding te bepalen. Ook in Naarden. Dat is mij wel duidelijk geworden in de gesprekken die ik met de vele personen heb gevoerd. Het is geen simpele zaak verzet te gaan bieden. Er zijn genoeg argumenten die er tegen pleiten en je wist nooit welke risico's je liep. Dat gold voor elke vorm van deelneming aan illegaal werk of behulpzaam zijn aan hen die dit illegale werk deden. Elke reële kijk op de oorlogsgeschiedenis leert dat de meeste mensen zich aanpassen aan de moei-lijkheden die zij ondervinden. Het is steeds een minderheid, vaak een heel kleine, die bereid is in de strijd tegen de overheersende macht (en de Duitse was erg bruut) risico's te nemen. In Naarden bleek die minderheid zeer klein te zijn en er is gebleken dat Jongbloed die minderheid heeft geholpen. Dat helpen heeft er uiteindelijk toe geleid dat hij, zoals later vastgesteld, fatale risico's heeft genomen met als resultaat dat zijn vrouw met vier kinderen achter bleef. Dat is een hoge prijs en moet in de beoordeling niet vergeten worden.

Tot slot, het in een aantal stukken aangehaalde anti-semitische gedrag dat Jongbloed aan de dag zou hebben gelegd. Als politieman ben ik genegen mee te gaan met de mening van Zieltjes, maar niet vergeten moet worden dat dit anti-semitisme bij verschillende bevolkingsgroepen leefde. Jongbloed was echter niet zover dat hij dezelfde tekst geroepen zou hebben welke stond op een bord, dat gedragen werd in Amsterdam tijdens de februaristaking van 1944. Daar stond op: "Blijf met je smerige poten van onze smerige Joden af".

Het einde van Alle Jongbloed.

Om dit zo goed als mogelijk vast te stellen heb ik mij moeten verdiepen in het Duitse Schutzhaftsysteem. En om duidelijkheid te krijgen in de gevolgen hiervan vereiste dit onderzoek over de werking van de concentratiekampen. De nu aanwezige literatuur maakt dit niet zo moeilijk. De Schutzhaft bestond in het jaar 1943 uit 3 categorieën (dit wijzigde nog al eens):
Stufe I: bestemd voor schutzhäftlinge met een licht vergrijp die voor verbetering in aanmerking kwamen; Stufe II: bestemd voor zwaarbelaste doch wel voor verbetering in aanmerking komende schutzhäftlingen; Stufe III: zwaarbelaste niet voor verbetering in aanmerking komende schutzhäftlingen.

Onder de laatste categorie werden onder andere verstaan, zij die het verzet behulpzaam waren geweest, onderduikers hadden, sabotage op kleine schaal pleegden of door gedrag en gevolg aangaven zeer anti-Duits gezind te zijn. Stufe III werd berecht door het SS- und Polizeigericht. Zwaardere gevallen, bijvoorbeeld de berechting van leden van verzetsgroepen of zij die in het bezit waren van een vuurwapen kwamen met ingang van september 1944 voor het Polizeistandgericht. Executie was dan (in de meeste gevallen) het gevolg. Jongbloed werd na zijn verhoor in de voormalige meisjes H.B.S. aan de Euterpestraat te Amsterdam waar toen de Sicherheitdsdienst en de Zentralstelle fur Judische auswanderung gevestigd was, geplaatst in Stufe III. Hij werd daartoe, na enige tijd gevangen te hebben gezeten in de strafgevangenis te Scheveningen, overgebracht naar het concentratiekamp Herzogenbusch te Vught. Hij verbleef daar als politiek gevangene vanaf oktober 1943 tot ongeveer juli 1944. Zijn terechtzitting vond vermoedelijk plaats op 14, 21 en 22 juli 1944 voor het Waffen SS-und polizeigericht Herzogenbusch. Gelet op zijn overplaatsing werd hij schuldig bevonden. Hoe lang de straf was is niet bekend omdat van alle in Vught gevoerde processen niets bewaard is gebleven. Overigens maakte de lengte van de straf weinig uit, want als men werd veroordeeld en in een concentratiekamp terecht kwam, dan kwam men daar als regel niet meer uit. Jongbloed werd ter uitvoering van zijn straf geplaatst in het concentratiekamp Neuengamme hetgeen altijd de eindbestemming was voor Stufe III. Plaatsing in een ander kamp zoals Buchenwald, Flossenburg, Birkenau of Auschwitz was ook mogelijk. Het kamp Neuengamme werd in hoofdzaak bevolkt door Russen. Voor de rest alle Europese nationaliteiten, waaronder een flink aantal Nederlanders. De levens-omstandigheden in het kamp waren tot december 1944 redelijk te noemen. Het kamp bestond uit een hoofdkamp, gelegen noordelijk van Hamburg en een aantal aussenkommandos. Deze aussenkommandos waren werkkampen, verspreid over heel noord-Duitsland met zelfs één in Denemarken. Eén lag vlak bij de Nederlandse grens, oostelijk van Delden. De werkzaamheden in deze aussenkommandos werden verricht in de open lucht. Er waren er waarbij in steengroeven werd gewerkt, ook werkzaamheden voor de Wehrmacht (graven van tankvallen. verdedigingswerken enz.) behoorden tot de mogelijkheden. Ook werkten groepen op het land ten behoeve van de landbouw. In het kamp Neuengamme waren werkplaatsen, waar ten behoeve van de Duitse oorlogsindustrie produkten werden vervaardigd. Ook werkten groepen in fabrieken in Hamburg. Wie geconcentreerd was in het kamp Neuengamme, was in het algemeen het beste af. De lichamelijke arbeid was voor hen veel lichter dan voor hen die in de aussenkommandos werkten. Bij binnenkomst in het kamp werd men geselecteerd op beroep. Was men arbeider en had men een vak geleerd dat bruikbaar was ten behoeve van de oorlogsindustrie dan bleef men in het hoofdkamp. De rest werd te werk gesteld in de aussenkommandos. Het is voor 100% zeker dat Jongbloed daar te werk werd gesteld. Zoals gememoreerd, tot december 1944 was het nog draaglijk, maar daarna werd het snel minder. De hoeveelheid voedsel die de gevangenen kregen was bij lange na niet genoeg om de gezondheid te waarborgen bij zware lichamelijke arbeid. Men werd dan ook snel ziek. Ondervoeding was de meest voorko-mende doodsoorzaak. Men teerde zo uit, dat ook in dit kamp muzelmannen werden aangetroffen. Een klein gedeelte belandde in net kampziekenhuisje waar de omstandigheden erbarmelijk waren, maar altijd nog beter dan in de aussenkommandos. De meeste slachtoffers vielen tijdens de lange marsen van en naar het kamp. Wie niet meer mee kon en langs de weg bleef liggen werd met een nekschot afgemaakt. Tussen december 1944 en maart 1945 lag het stervenspercentage bij de Nederlandse groep op 18%.

Er wordt aangegeven dat Jongbloed zou zijn overleden op 29 november 1944. Volgens de documenten bij de stichting 1940-1945 is de oorzaak ondervoeding en dysenterie. Alhoewel alles mogelijk is mag dit toch betwijfeld worden. Op het moment van de overlijdensdatum waren de omstandigheden in het kamp er niet naar. De kans dat hij, toch aan ondervoeding lijdend, in het kampziekenhuisje terecht is gekomen is eveneens zeer klein. Dat de doodsoorzaak executie is geweest, om welke reden dan ook, lijkt het meest waarschijnlijk. Mocht de datum van overlijden 11 januari 1945 zijn, dan is de eerder genoemde doodsoorzaak wel aannemelijk (deze overlijdensdatum wordt aangehouden door de afdeling bevolking van de gemeente Naarden). De snel verslechterende omstandigheden aan het einde van de oorlog in het kanp Neuengamme hebben er zorg voor gedragen dat dit kamp er één was waar de levensomstandigheden zeer slecht waren en waar het overlijdenspercentage hoog was vergeleken met andere concentratiekampen. Dit, uiteraard, uitgezonderd de vernietigingskampen.


Alle Jongbloed

DIGITAAL MONUMENT

 


Hierboven een artikel uit de Provinciale Drentsche en Asser Courant van 4 november 1947. Het artikel werd in diverse regionale kranten gepubliceerd.

Als u dit verslag hebt gelezen dan zult u zich een mening hebben gevormd. Alle Jongbloed is zowel door de gemeente Naarden als de gemeentepolitie Naarden gerehabiliteerd. Maar het verslag geeft een beeld hoe het Naardense korps zich na 1942 gedroeg. Een niet te verwaarlozen factor was natuurlijk P.J.A. Spannenburg, de opperluitenant-korpschef. Hij is na de oorlog veroordeelt tot 15 jaar gevangenisstraf, maar kwam voortijdig vrij. Hij overleed in 1977 in Venlo. Zijn carrière begon als agent van politie in Blerick. Door zijn partij lidmaatschap van de NSB klom hij snel op en werd korpschef in Velzen. In 1944 verdween hij, maar kwam toch voor het hof Bijzondere Rechtspleging. Na zijn arrestatie werd hij opgesloten in het Huis van Bewaring te Haarlem. Na zijn arrestatie zijn alle Naardense korpsleden inclusief de echtgenotes bij hem op bezoek geweest. Zij hadden daarvoor een bus gehuurd. Het algemene beeld is dat de Naardense politie zich in de oorlogstijd zwak en gedwee heeft gedragen. Dat komt ook tot uiting in het gedrag ten aanzien van joden. Niet alleen de voortreffelijk georganiseerde deportatie door de politie alsmede het soms beestachtige gedrag richting deze bevolkingsgroep. Het korpslid dat bovenstaande onderzoek deed heeft zich daar nogmaals in verdiept en kwam tot schokkende conclusies.

In juli 1942 meldde de korpschef van Naarden aan zijn superieur, de procureurgeneraal in Amsterdam, dat in de week van 29 juni tot en met 3 juli de evacuatie van de in Naarden gevestigde joden was voltooid . Zowel bij de voorbereiding als bij de evacuatie zelf en bij het verwijderen van de inboedel - waar de politie op 16 juli nog druk mee doende was - was steeds door leden van zijn korps assistentie verleend. Voor de evacuatie zelf werden twaalf man ingeschakeld. Vier leden van zijn korps had de chef daartoe aangewezen. Acht man marechaussee werden hem toegewezen uit de brigades Weesp, Hilversum en Bussum. Verder meldde de korpschef: ‘De evacuatie had een vlot verloop en aanleiding tot het maken van opmerkingen dienaangaande was er niet. Begrijpelijk is echter, dat de andere dienstverrichtingen hieronder te lijden hadden’. U kunt daar meer over lezen in artikelen die zijn gepubliceerd in de Omroeper.

http://www.stichtingvijverberg.nl/

Hieronder ziet u één van 26 deportatielijsten, keurig op gesteld door de politie en met de opdracht ze keurig af te werken zonder tussenkomst van een Duitse militair. Voor de goede orde, de mensen op deze lijst zijn voor zover niet aangetroffen of ondergedoken allen af gevoerd naar Amsterdam in afwachting van transpost naar een concentratiekamp. Met name de omschrijving 'EMIGRANTEN' in de kop van het document is treffend. Opgemerkt wordt dat een aantal politiemensen uit het korps op het moment van de acties tegen joden in 1942 toen nog geen deel uit maakten van het korps. Zij kwamen in de loop van 1943. (Zie de personeelslijsten) P.J.A. Spannenburg was er ook nog niet.

Tot slot nog een foto van een korpsfeestje van de Staatspolitie in café De 'De Beurs' en de mannen waren gekleed in het nieuwe uniform conform met het uiterlijk van de nieuwe orde. Op de voorgrond in het midden de (NSB) burgemeester met rechts zijn vrouw en links daarvan Spannenburg met echtgenote. Alle personen op de foto zijn te herleiden met uitzondering van de man zittend 2e van links met bril. Dit waren kamaraadschapavonden.

Het hier boven staande relaas over Alle Jongbloed had alleen betrekking op zijn functioneren en overlijden tijdens de tweede wereld oorlog. Na aanbieding van het genoemde proces-verbaal en alles wat daar op volgde was er toch enige beroering in het korps met name door oudere collega's die in die tijd al deel uit maakten van het korps. In de zuiveringsdossiers die destijds uitvoering werden bestudeerd waren alleen de delen die betrekking hadden op Jongbloed belangrijk. De rest werd globaal door genomen. Er ontstond wel een beeld van het gehele korps met betrekking tot zijn gedragingen in die tijd en dat is ook verwoord in het proces-verbaal.
In de loop van 2016 doken er een aantal documenten op die in het bezit waren van een dochter van een al overleden oud korpslid. Het was een klacht gericht tegen acht korpsleden, gedaan door zeven Naardense inwoners, waarvan een aantal gedetineerd waren in het Kamp Crailo. In deze klacht werd de integriteit van de toenmalige zuiveringscommissie in twijfel getrokken omdat een aantal leden daarvan zelf misstappen hadden gepleegd en een paar van deze korpsleden na de bevrijding toe werden gelaten tot de (P.O.D. ) Politieke opsporingsdienst. Om het in goed Nederlands te zeggen vonden deze mensen, dat de slager zijn eigen vlees had gekeurd.

Zij verzochten de Gewest-Commandant de Rijkspolitie Amsterdam een nieuw onderzoek in te stellen. Deze gaf de opdracht aan een opperwachtmeester der Rijkspolitie in Diemen. Deze heeft zo bleek naderhand een zeer uitgebreid onderzoek in gesteld in de gemeente Naarden, waarbij een groot aantal inwoners en het gehele politie korps opnieuw werd gehoord. Hieronder ook de leden die lid waren van de P.O.D. Bij de op gedoken stukken bevond zich ook een verweerschrift van vijf leden van het korps. Het was toen wel duidelijk dat de inwoners van Naarden in hun euforie over de bevrijding niet in de rij stonden om klachten in te dienen tegen lieden die in ogen fout waren geweest.
Deze feiten waren in de ogen van de samenstellers van deze website voldoende om de Minister te verzoeken toestemming te geven om de zuiveringsdossiers nogmaals in te mogen zien en ze nu volledig door te nemen met de bedoeling om tot een beter totaal beeld te komen over het korps. Deze toestemming werd verkregen.

In de tweede helft van 2017 en de eerste helft van 2018 is dit voltooit. Tevens werd inzage verkregen in het strafdossier van de toenmalige korpschef P.J.A Spannenburg, lid van de N.S.B. en SS, tevens kringleider van het Rechtsfront. Deze man was in het onderzoek Jongbloed totaal niet in beeld geweest Al deze stukken zijn ingezien in het Nationaal Archief te Den Haag.

Alle voormalige korpsleden, die dienst hebben gedaan in de tweede wereldoorlog zijn niet meer in leven.

Een verslag hiervan kunt u hieronder lezen. Beschouw dit stuk als aanvulling op het hier boven staande stuk over Jongbloed.

VERSLAG

In dit verslag zal, gelet op de van kracht zijn regelgeving met betrekking tot gesloten dossiers alleen de rang van de betrokken politiemensen die van belang waren zichtbaar zijn. De daaraan verbonden namen zijn bij ons bekend. Initialen zouden ondenkbaar zijn in verband met de op deze site zichtbare naamlijsten. Op één persoon zal een uitzondering worden gemaakt en dat is P.J.A. Spannenburg, de voormalige korpschef. Hij kan gerangschikt worden onder de titel landverrader, collaborateur en dus foute Nederlander. Hij was lid van het Rechtsfront, Germaanse SS en N.S.B.'er. Hij is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 15 jaar.

De Naardense politie zoals deze bij het uitbreken van de oorlog 1940-1945 functioneerde, beantwoordde aan een beeld die we als volgt kunnen omschrijven. Ze waren arm, er was volop werk en dat deden ze in een werkweek die ongeveer ruim 60 uur duurde met één vrije dag per maand en geen vakantie. In 1937 was het inkomen van “Jan modaal” met ongeveer twintig procent verlaagd, maar dat was nog altijd meer als een doorsnee politieman mee naar huis kreeg. Na het uitbreken van de oorlog was er onzekerheid bij de politieman. De openbare ruimte en de straat was niet meer zijn domein. Er liepen andere geüniformeerden rond. Voorlopig ging het gewoon zijn gangetje. Ook in Naarden, maar een ruim jaar later zat ook de Naardense politieman al dik in de problemen. Er werden mensen die vanaf het eerste uur, zij het in geringe mate verzet boden, gearresteerd. Er werd nauwelijks leiding gegeven en aangestuurd hoe hier mee om te gaan.

Na afloop van de oorlog zijn er zuiveringscommissies ingesteld, zo ook in Naarden. De leden daarvan bestonden uit diverse samenstellingen. De voorzitter was een voormalig Korpschef die al snel in de eerste oorlogsjaren vertrok en later ook gevangen is genomen door de Duitsers wegens weigerachtig gedrag. Deze zuiveringen werden in redelijk korte tijd uitgevoerd en er volgden ook bezwaar en beroepszaken.br /> Het korps bestond uit geüniformeerden en een recherche afdeling van 4, soms 3 personen. Het moge duidelijk zijn dat deze afdeling het zwaar te verduren heeft gekregen als het gaat om vuil werk op te knappen. Dat heeft vooral gestalte gekregen na binnenkomst van P.J.A. Spannenburg als opperluitenant-korpschef. Deze SS'er en NSB'er maakte het zeer moeilijk om je te onttrekken aan opdrachten. De geüniformeerden deden de straatdienst.

In Naarden kon men snel te werk gaan en de zuivering zo snel als mogelijk afwikkelen. Dit ook op basis van binnen gekomen klachten. Dat duurde wel het hele jaar 1945 en begin 1946. In een aantal van deze klachten werd de integriteit van de zuiveringscommissie in zijn wisselende samenstelling in twijfel getrokken. In de zuiveringscommissie zouden korpsleden hebben gezeten die zelf fouten hadden gemaakt en een paar van hen maakten later deel uit van de plaatselijke P.O.D. (Politieke Opsporingsdienst) in Naarden, een dienst die boven elke twijfel werd geheven. Op grond van deze klachten werd er door de Gewest Commandant der Rijkspolitie te Amsterdam in de rang van commissaris, een aansturend orgaan in de eerste maanden na de oorlog bevolen een nieuw onderzoek in te stellen over de gedragingen van het korps Naarden. Dit gaf zeer veel onrust en wantrouwen. Als onderzoeker werd aangesteld de opperwachtmeester der Rijkspolitie A de Vries, afkomstig uit de landgroep Diemen. Het vervelende was dat zijn onderzoek voor een deel gelijktijdig liep met de nog steeds voortdurende zuiverings- verhoren en beroepszaken. Hij richtte zich in eerste instantie tot de inwoners van Naarden en dan met name uit de Vesting Naarden. In zijn proces-verbaal zijn dat er tientallen.

Om nu een goed beeld te geven van de totale onderzoeken zijn de stukken uit de dossiers van de zuiveringscommissies en het onderzoek van A de Vries willekeurig opgetekend. De zuiveringsdossiers van de meeste leden van het korps zijn afgesloten met de beoordeling...geen straf of maatregel. Ondanks het feit dat soms de betrokken ambtenaar de kwalificatie goed vaderlander kreeg werd hem toch kwalijk genomen dat hij een onjuiste houding had betracht ten opzichte van de bezetter. Deze conclusie had betrekking op nagenoeg alle leden van het korps. In dit epistel zal geen verdere aandacht worden geschonken aan details uit hun zuiveringsdossiers Hun gedrag kun je ook nu, gekeken door de bril des tijds, twijfelachtig kunnen noemen. Blijft over de zwaardere gevallen waar nader op in wordt gegaan.

De chef van de recherche A. Jongbloed viel uiteraard buiten de zuivering omdat deze man om het leven was gekomen in een Duits concentratiekamp. Hierover is in deze website genoeg te lezen. Het zuiveringsdossier van een wachtmeester uit de uniformdienst is grotendeels gevuld met documenten die betrekking hebben op de onderzoeken van opperwachtmeester de Vries. Een direct zuiveringsonderzoek door de aangewezen zuiveringscommissie ontbreekt. Waarom, is niet duidelijk. Waarschijnlijk is, dat men gebruik heeft gemaakt van het onderzoek van de Vries omdat men in tijdnood was. Kennis nemende van de inhoud van het dossier kan gesteld worden dat de wachtmeester gerekend werd tot de politiemensen die in Naarden gelet op de omstandigheden redelijk goed had gefunctioneerd. De zinsnede : ”hij was de meest goede”, zegt mogelijk iets. Ondanks dat en zijn kwalificatie als goed vaderlander, werd tegen hem toch een maatregel genomen. Hij kreeg uitsluiting van bevordering voor de duur van 2 jaar. Als bijschrift stond vermeld dat hij ernstig te kort was geschoten in het betrachten van de juiste houding tijdens de bezetting. Mogelijk is dit te wijten aan de inhoud van de processen-verbaal van de Vries waarin hij het totale korps kwalificeerde. De wachtmeester is tegen deze beslissing niet in beroep gegaan.

Op 14 september 1946 sloot opperwachtmeester de Vries zijn proces verbaal van een onderzoek af die hij had ingesteld naar aanleiding van klachten die waren ontvangen uit de burgerbevolking van de gemeente Naarden.
Met betrekking tot een wachtmeester bij de recherche valt het volgende te melden. Hij is niet gezuiverd, maar op 6 juni 1945 geschorst om de zaak te formaliseren. Hij is later wel gehoord door opperwachtmeester de Vries. Hij was niet meer in dienst van de gemeente Naarden en geen politieambtenaar meer. Hij kreeg in 1944 ontslag wegens ongeschiktheid om het politieambt nog langer uit te oefenen. In verband met zijn geestelijke toestand is hij afgekeurd voor de politiedienst. Hij was van mening dat zijn gedragingen in de voorgaande jaren van dien aard waren geweest dat hij niet in staat was om met zich zelf in het reine te komen. Hij liet zich min of meer afkeuren. Hij is verhuisd naar een onbekende bestemming en is illegaal werk gaan doen. Dat heeft er toe geleid dat hij vlak voor het einde van de oorlog is gearresteerd door de Duitsers en in gevangenschap heeft doorgebracht tot de bevrijding. Na de bevrijding is hij teruggekeerd in Naarden. Hij heeft op 12 april 1948 nog hulp gevraagd op het politiebureau bij oude collega's in verband met een sollicitatie bij een expertisebureau. Was deze wachtmeester nog in de politiedienst geweest, dan zou hem het volgende feit ernstig worden aan gerekend. In het dossier op gemaakt door de Vries bevinden zich verklaringen van personeel en directrice van het Diaconessen ziekenhuis te Naarden. In de loop van 1943 meldde deze wachtmeester zich bij het ziekenhuis. In dit ziekenhuis lagen drie mensen van joodse afkomst. Hij verklaarde dat hij deze mensen kwam ophalen omdat ze op transport moesten naar Westerbork. Het dienstdoende personeel weigerde dit omdat ze het ondenkbaar achtten deze zieke mensen te vervoeren. De wachtmeester probeerde zijn zin door te drijven maar kreeg het niet voor elkaar. De volgende dag meldde de wachtmeester zich weer en nu bemoeide de directrice zich er mee en deed een beroep op zijn fatsoen en menselijk medeleven. Weer wilde de wachtmeester zijn zin doordrijven maar de directrice hield voet bij stuk. De dag daarop vervoegde hij zich weer bij het ziekenhuis. Hij had een vrachtauto en enkele collega's meegenomen en de drie mensen werden uit hun bed gehaald en afgevoerd. Deze wachtmeester was ook de man die oog in oog stond met Schimmel tijdens de arrestatie op Valkeveen. Ook stond zijn optreden centraal bij het overbrengen van het gezin aan de Lambertus Hortensiuslaan waarbij vader en moeder de dood vonden en de dochter later overleed. (lees later)

De voorzitter van de zuiveringscommissie C. Schaap werd na zijn tijd als korpschef in Naarden gestuurd naar Schalkhaar in opdracht van korpschef Spannenburg. Hij heeft daar geweigerd mee te werken, is gearresteerd en over gebracht naar kamp Vught. Vandaar is hij getransporteerd naar het Kamp Amersfoort en is daar geïnterneerd geweest tot het einde van de oorlog.
A de Vries heeft in zijn onderzoek 64 personen gehoord alsmede alle leden van het politiekorps. Deze 64 personen kwamen uit alle geledingen van de bevolking, maar de meesten woonden of werkten binnen de Vesting Naarden. Onder deze 64 waren de burgemeester (vóór de tijd van NSB'er van Leeuwen), een dominee, doktoren en anderen uit bestuurlijke kringen. Uit de verklaringen bleek dat er veel meer klachten waren tegen het optreden van de politie Naarden als verwacht. Tijdens de verhoren door de zuiveringscommissie werden regelmatig in de dossiers verklaringen aangetroffen die in het voordeel spraken van de ambtenaar. De bezwaren bestonden voor een groot deel uit feiten die hadden plaats gevonden en waar veel mensen kennis van droegen omdat ze algemeen bekend waren en gelijktijdig door meer als één politieambtenaar werden gepleegd. Dit waren vaak de ernstige feiten. De doorsnee klachten bestonden uit lichte feiten die bijzonder irritant waren, mede door het feit dat de politie dit op eigen initiatief deed.

Opmerkelijk is dat nergens de haast totale deportatie in juni en juli 1942 (in vier dagen) van de Joodse gemeenschap aan de orde kwam, terwijl bekend is dat de Naardense politie dit in eigen regie met assistentie van de Koninklijke Marechaussee en politieambtenaren van andere Gooise korpsen volledig zelf heeft afgehandeld op 183 adressen. In geen enkel dossier is er verantwoording afgelegd voor dit handelen waarbij een substantieel deel van de joodse gemeenschap werden weggevoerd. Ook niet door de toenmalige leiding van het korps en de burgemeester. Ook vanuit de bevolking kwam geen enkele klacht over deze gebeurtenissen. Onderzoek was eenvoudig geweest omdat de deportatielijsten zich toen en ook nu nog in de politiearchieven bevinden. Besef wel dat deze feiten plaats vonden vóór de komst van Spannenburg. Onder zijn leiding ging de jacht op de overgebleven en ondergedoken joden gewoon door.

Je kunt daarvan van alles vinden en denken maar de klachten waren hoofdzakelijk gericht tegen leden van het korps die hun dienst deden in uniform en dus regelmatig op straat te zien waren. Dit waren feiten die voor de Naarder zwaar wogen en voor de ambtenaren die de zuivering deden van groter belang waren. Waren er grote acties dan waren daar ook leden van de recherche bij aanwezig. Het betroffen vaak acties met betrekking tot het ophalen van radiotoestellen. Het huisrecht werd totaal niet meer in acht genomen. Het naleven van de rijwielverordening werd tot het einde van de oorlog streng gecontroleerd.
Controle op levensmiddelen bij mensen en het afnemen daar van. Deze opdrachten van de bezetter werden nauwgezet uitgevoerd. Een treffend voorbeeld daarvan is de aanhouding voor het politiebureau van een man die in strijd met de distributieverordening te veel vleeswaren bij zich had. Hij werd gearresteerd, bekeurd en na afloop over gedragen aan de Grüne polizei . De man is om het leven gekomen in een Duits kamp. De aanleiding tot zijn arrestatie werd in 1996 onderzocht op verzoek van zijn zoon. De aanhouding vond plaats op eigen initiatief van de betreffende politie ambtenaar. Een simpele overtreding kon door een overijverige ambtenaar grote gevolgen hebben. (politiearchief Naarden) In veel verhoren in het proces-verbaal van de Vries kwamen klachten over het gedrag van een wachtmeester uit de uniformdienst. Toen hij in 1939 in het korps kwam had hij een zeer laag inkomen en kon met zijn gezin slecht rond komen, Om dit te compenseren begaf hij zich in de loop van de oorlog in de zwarte handel. Hij organiseerde en regelde van alles en zijn echtgenote stond vaak op markten en braderieën om zijn handel te verkopen. Naarmate de oorlog vorderde nam zijn welstand toe. Hij betrok een verlaten woning van een Joods gezin en bleef daar enige jaren wonen. Met zijn vrouw ging het ook goed. Zij liep regelmatig in kleding van bond en bezat veel sieraden. Regelmatig werd hij gesignaleerd bij bevriende
boeren. Hij slachtte daar clandestien en verkocht het vlees aan derden. Net na de oorlog betrok hij de woning van een gedetineerde NSB 'er. Deze was evenals zijn echtgenote gearresteerd. Volgens verklaring van enkele aangevers kocht hij net na afloop van de oorlog een motorfiets voor F 1200 ,- De aangever overlegde een kwitantie aan de Vries. De Vries verklaarde in zijn relaas dat de zwarthandel van de wachtmeester moeilijk bewijsbaar was. Veel bezwaren waren afkomstig van de echtgenote van een politieman. Noem haar in de hedendaagse kretologie een klokkenluider. Vastgesteld wordt dat een en ander in schril contrast stond met de uitkomst van zijn zuiveringsonderzoek.

Op het moment van de deportatie van de Joodse ingezetenen in Naarden (1942), woonde de familie Steinacher aan de Juliana van Stolberglaan. Deze familie mocht met toestemming blijven in verband met ziekte. Na verloop van de tijd dook de familie onder. In de loop van 1944 kreeg de politie een tip dat ze verbleven ten huize van de familie Fuld aan de Meentweg te Naarden. Onder leiding van korpschef Spannenburg werd er actie ondernomen. Aanwezig waren ook leden van de recherche. Aanwezig was alleen een man die verlamd was en in een invalide wagen zat en familieleden. Dit was geen beletsel om ze allemaal mee te nemen en in te sluiten. Met enkele anderen collega's begeleidde een wachtmeester 1e klasse het transport naar Westerbork. Op 23 april 1943 begeleidde deze wachtmeester een groot transport van opgepakte Joden naar Westerbork. In het getuigenverhoor verklaarde een Naardense garagehouder het volgende. Hij was in het bezit van een personenauto en een vrachtauto. Regelmatig kreeg hij het verzoek van de politie om zijn auto te huur aan te bieden voor transporten van arrestanten. Hij wist, dat als hij weigerde de voertuigen gevorderd zouden worden, dus gaf hij toe. Hij was echter niet van plan om de auto's te besturen omdat hij geen medewerking wilde verlenen aan dergelijke transporten waarmee ook joodse mensen werden vervoerd naar Vught en Westerbork ter internering. De wagens werden bestuurd door een politieman.

Tijdens zijn verhoor overlegde hij een lijst van verhuur data van de auto's. De lijst was niet helemaal compleet omdat hij er een aantal was kwijt was geraakt.

In de jaren 1943 / 1944 hadden de volgende transporten met zijn auto's plaats gevonden.

In oktober 3x Westerbork / Vught
In november 1x Westerbork / Vught
In december 2x naar Amsterdam (SD)
In januari 1x naar Hilversum

In februari 4x Westerbork  Vught
In april 1x " "
In mei 2x " "
In juni 1x " "
In augustus 1x " "

De begeleiding werd altijd verzorgt door twee leden van de recherche. Sommige transporten werden verzorgd door een andere transporteur. Aan de Lambertus Hortensiuslaan woonde het echtpaar Wagenaar samen met dochter Rie. Rie was zwaar zwakzinnig Het gezin was van Joodse afkomst en had voortijdig begrepen dat er transport dreigde. Door een toeval benamen ze zich in de nacht voor hun arrestatie van het leven. Toen de politie arriveerde en de woning betrad bleek het echtpaar reeds te zijn overleden. Dochter Rie was buiten bewustzijn, maar leefde nog. Voor de deur stond een vrachtauto die voor de afvoer moest zorgen. Van politiezijde waren rechercheleden aanwezig. De chef recherche die eigenlijk niet wist wat hij met de situatie aan moest, vroeg aan Ida Johanna Maria Krijnen, een buurvrouw van het gezin of hij even van haar telefoon gebruik mocht maken. Dat mocht en hij nam contact op met het politiebureau en vroeg wat er moest gebeuren.

Het antwoordt getuigde van weinig empathie. Het luidde: “Wat dood is laat je liggen en wat leeft neem je mee”. Mevrouw Krijnen tekende hiervoor in haar verklaring. De dochter werd in de vrachtauto gelegd en overleed tijdens het transport naar Vucht in het jaar 1943. Uit andere verklaringen bleek dat chef Jongbloed erg zijn best had gedaan voor het gezin met de intentie om ze te laten blijven. Een wachtmeester van de recherche verklaarde in zijn verhoor met de Vries nog dat hij ook, bij de arrestatie op 11 november 1943 van Sikkel aanwezig was geweest. Dit was gebeurd op verzoek van een mevrouw. Dit was een wraakactie van deze vrouw in verband met een echtelijk conflict sussen Sikkel en zijn vrouw. Sikkel heeft nog gesmeekt om hem niet mee te nemen omdat hem dan het leven zou worden ontnomen. Een wachtmeester uit de uniformdienst wilde dit wel, maar zoals eerder genoemd was de wachtmeester 1e klasse / rechercheur hier op tegen. De vrouw maakte deel uit van de vriendenkring van Spannenburg. De afloop van Sikkel werd gecontroleerd. Hij is via Westerbork vervoerd naar Auschwitz.

Daar is hij om het leven gekomen. (lijsten rode kruis)

Het zuiveringsdossier van een opperwachtmeester der staatspolitie gaf het volgende relaas Hij verkreeg deze rang na het arresteren van Jongbloed en werd hoofd van de recherche.
Zijn dossier is niet omvangrijk ondanks de voor hem slechte afloop van zijn zuivering. Vijf personen legden in positieve zin verklaringen af omtrent zijn optreden in de oorlog.
Het betrof in hoofdzaak het waarschuwen tegen het ophalen van fietsen, het waarschuwen voor controles, in de meeste gevallen over het in beslag nemen van radiotoestellen en hulp bij het onderduiken van een politieman inclusief het mede nemen van zijn dienstwapen.
Aan de andere kant leverde het ook klachten op, betrekking hebbende op het afpakken van radiotoestellen en fietsen. Dit leek strijdig gelet op andere ondersteunende verklaringen. Hij was op 11 november 1943 in leiding gevende zin vertegenwoordigd bij de arrestatie van de jood Sikkel. Hij werd 6 juni 1945 gestaakt op grond van de daadwerkelijke medewerking aan de arrestaties bij Valkeveen van de verzetsstrijders die het distributiekantoor in Huizen overvielen. Met name over zijn rol over het in beslag genomen pistool.
Voorts volledige medewerking aan het vorderen van fietsen. Dit door het niet zelf te doen maar de bewaarplaatsen van de rijwielen door te geven aan de Duitsers.
Als derde het inzamelen van gelden voor de te houden Kameraadschap avonden van de politie.
Als verdediging voor het eerste feit droeg hij aan, dat Jongbloed de compromitterende papieren tijdens het transpost van Schimmel en te Hennepe had vernietigd. Hij verklaarde dat Jongbloed dat had gedaan met het goedvinden van allen die aan het transport hadden deelgenomen. Dat zou ook te Hennepe hebben verklaard. Jongbloed zou dat nooit hebben gedaan als hij ons niet had vertrouwd, zo verklaarde hij. Ondanks dat uit andere onderzoeken duidelijk is dat deze wachtmeester 1e klasse in kwalijke zin op allerlei wijze heeft deel genomen aan jodenarrestaties, wordt er in zijn zuiveringsonderzoek nauwelijks over gerept. Ook is hij niet gehoord over zijn bezoek met een collega aan het SS en Polizeigericht in Den Bosch bij de behandeling van de zaak Jongbloed. Bovendien bestaat zijn zuiveringsdossier uit veel losse aantekeningen en kladjes met aanbevelingen. Op de achterzijde van diezelfde kladjes stond dan het antwoord van de betreffende, veelal hooggeplaatste politie ambtenaren (vaak de gewestcommandanten) die de regionale zuiveringsonderzoeken bekeken een oordeel gaven over de betrokken ambtenaren. In veel gevallen werd ook hij nader gehoord en werden er weer oordelen gevraagd. Uit de wijze van behandelen en antwoorden bestaat de indruk dat men snel een oordeel wilde hebben over deze opperwachtmeester.
De beslissing kwam dan ook snel. Op 13 september 1946 kreeg hij ontslag uit zijn functie, opgelegd door de Minister van Justitie met behoud van gezinspensioen. Het is onbekend waar hij is gebleven. Hij heeft later nog wel contact opgenomen met voormalige collega's. Hierover wordt in dit stuk ook verwoord.

In het dossier van een wachtmeester uit de uniformdienst zijn enkele bezwaren voorhanden. Voormalig verzetsman Groenhart, later woonachtig op het Prinses Irenehof werd getipt voor ophanden zijnde arrestaties van enkele leden van zijn groep en anderen niet bij name genoemd. Deze wetenschap gaf hij door aan deze wachtmeester in de veronderstelling dat hij wist waar enkelen verbleven. De wachtmeester heeft dit niet gedaan en 3 mensen werden gearresteerd. Hij had geen verklaring voor deze reactie. Op 11 november 1943 arresteerden hij en twee leden van de recherche de Jood A. Sikkel. Bij deze arrestatie zou ook een wachtmeester van de recherche aanwezig zijn geweest, zo verklaarden deze twee. Bij later onderzoek door opperwachtmeester de Vries bleek dat dit niet waar was. Aan de hand van foto's verklaarde de echtgenote van Sikkel die geen jodin was, dat alleen deze twee aanwezig waren. Bij deze arrestatie wilde de wachtmeester dat er vanaf werd gezien, maar de rechercheur die op dat moment recherchechef was omdat Alle Jongbloed geïnterneerd was zette door en hij legde zich neer bij de beslissing van zijn chef. Sikkel werd gearresteerd en overgebracht naar het politiebureau. De recherchechef regelde het transport naar het kamp Westerbork. Sikkel was niet de enige die deze rit meemaakte.

In de herfst van 1944 zag deze wachtmeester, in het gezelschap van een andere wachtmeester tegen wie geen maatregelen waren getroffen of straf, was opgelegd, een echtpaar op het trottoir van de Prins Willem van Oranjelaan lopen tijdens spertijd. Ongeveer 30 meter achter dit echtpaar liep de Ortscommandant van Bussum, een Duitser en de beide mannen zagen geen andere uitweg dan het echtpaar te arresteren. Zij werden over- gedragen aan de SD. Het kwam bij hen niet op om het echtpaar buiten het zicht van de Duitser weer te laten lopen. (citaat uit het dossier)

Voorts waren er klachten over kleine vergrijpen, zoals het in beslag nemen van fietsen zonder dat daar Duitse militairen in de buurt waren. Het confisqueren van radiotoestellen waarbij de actie van deze wachtmeester uit ging. Een feit was echter kwalijk. Hij nam eind 1944 een radio in beslag van inwoner Everhard uit de Vesting Naarden, maar later bleek dat die bewoner al een radio was kwijtgeraakt door inbeslagname en dat het in het register terug was te vinden. De wachtmeester, die de bewoner goed kende maakte een afspraak. Hij nam de radio in en de bewoner kreeg tijdelijk een klein oud radiootje om toch radio Oranje uit te kunnen luisteren. Zij maakten de afspraak dat na afloop van de oorlog, die aanstaande was, de ruil weer zou worden teruggedraaid. Toen dat feit plaats vond meldde de benadeelde zich. Op dat moment wist de wachtmeester van niets meer en verklaarde dat het niet de afspraak was geweest. Everhard kreeg zijn radio niet terug. Uit later onderzoek bleek dat deze wachtmeester zoals eerder vermeld veelvuldig zwart handelde in allerlei artikelen en buiten zijn salaris als politieman een zeer royaal leven leidde.

Daar tegenover staat dat de wachtmeester, de Jood H Weiss (met sz conform de inhoud van het proces-verbaal), enige maanden in zijn woning verborgen heeft gehouden. Detail is dat deze Weisz niet op de evacuatielijsten voorkomt uit 1942. Wel de familie Weiss (met dubbel ss). Aan deze bewering door getuige kan worden getwijfeld.
Voorts zijn verklaringen opgenomen die pro zijn te noemen. Dit zijn er 18 in totaal. Opvallend is een tip naar een betrouwbare Hilversumse collega om een arrestatie te voorkomen van mensen die zich bezighielden met ondergrondse activiteiten. Ook een tip naar een particulier om een arrestatie te voorkomen en het advies om compromitterende documenten te vernietigen. Opgetreden naar aanleiding van een hulpverzoek om iets te doen aan een onrechtmatige huiszoeking door landwachten.
Op grond van de bekende feiten werd de wachtmeester gezuiverd. Dit proces heeft jaren geduurd. In de tussenliggende tijd heeft hij van 1 juli 1945 tot 1 juli 1947 in Hilversum gewerkt bij de PRA (politieke recherche afdeling). Naar aanleiding van het zuiveringsonderzoek vond men deze plaatsing niet gepast en hij werd overgeplaatst op 2 juli 1947 naar Diemen en aangesteld als wachtmeester 2e klasse bij het toen opgerichte Korps Rijkspolitie. Naar aanleiding van het inmiddels afgeronde zuiveringsonderzoek en hier aan parallel lopende onderzoek door de Vries (wordt op teruggekomen) beschikte de Minister op grond van de arrestatie van Sikkel mede met verwijzing naar de inhoud van het zuiveringsverslag over de chef recherche en de aanhouding van het echtpaar tijdens spertijd het volgende.

Uitsluiting van bevordering voor de duur van 1 jaar plus overplaatsing naar een andere standplaats. Deze beschikking werd betekend op 16 maart 1949. De wachtmeester was het niet eens met de procedure omdat de Vries zijn onderzoek had afgerond en hij zich op 16 mei 1947 reeds had verweerd. Hij vond het onbehoorlijk dat hij daarna niets meer had gehoord, temeer omdat hij vond dat zijn verweer sluitend was. Op 18 november 1949 besloot de minister dat de opgelegde maatregelen in gevolge het zuiveringsbesluit 1945 (overplaatsing en geen bevordering) werden vernietigd. Hij werd op 2 januari 1948 definitief geplaatst bij het Korps Rijkspolitie post Diemerbrug in de rang van wachtmeester 1e klasse. Gelet op bevindingen van de Vries kan gesteld worden dat deze wachtmeester er erg goed vanaf is gekomen.

Een wachtmeester / rechercheur kwam in 1940 in dienst van de politie na eerst in het leger te hebben gediend.
Over het algemeen verzette deze wachtmeester zich tegen de nieuwe orde en hield zich op de achtergrond en was niet actief in het naleven van regels conform de eis van de bezetter. Toch was zijn houding niet geheel onberispelijk. Er werden na de oorlog geen klachten ingediend tegen hem. Het ernstigste verwijt wat hem in de verhoren werd gemaakt was de arrestatie van vier joden Deze actie vond plaats naar aanleiding van een tip. In de woning waar de vier verbleven vond men snel 3 personen van Joodse afkomst. Jongbloed die de actie coördineerde verzocht deze wachtmeester om nog even boven te kijken. In een kamer achter een gordijn vond hij een vierde jood. De wachtmeester-rechercheur sloot het gordijn en besloot niets te zeggen. Beneden gekomen gaf hij te kennen dat er niemand meer boven was. Deze wachtmeester regelde in opdracht het vervoer per auto maar wilde eigenlijk niet mee werken aan het overbrengen van de drie mensen. Toch is dit gebeurd omdat Jongbloed, die per definitie een hekel aan Joden had het vervoer door zette. In de paar dagen daarna ondernam hij actie om de drie joden en een vierde die later werd opgepakt op straat over te brengen naar de SD in Hilversum. De wachtmeester die in de loop van de oorlog werkzaam was bij de recherche had ook een rol in het overbrengen van de gearresteerde verzetsstrijders bij Valkeveen naar Amsterdam. Hij was weliswaar niet aanwezig geweest bij de arrestatie maar ging met twee collega's en Jongbloed mee. Alleen Jongbloed deed van zich spreken door de bekende compromitterende documenten te vernietigen. De zuiveringscommissie was van mening dat de bovengenoemde zaken aanleiding waren om hem te straffen. De houding ten opzichte van Duitsers was zoals omschreven niet onberispelijk, maar men vond geen aanleiding om hem hiervoor in rang terug te zetten. Wel werd bij besluit van 22 november 1946 besloten hem voor de duur van 3 jaar uit te sluiten van bevordering en hem op een nader te bepalen datum over te plaatsen. Ondanks dat er al een tweede onderzoek liep door de opperwachtmeester de Vries naar aanleiding van later binnen gekomen klachten tegen leden van het korps, ging de wachtmeester in hoger beroep op de datum van het opgelegde besluit. Hij gaf zijn bijstand in handen van drie advocaten . Deze drie gingen voortvarend te werk en konden 37 pro verklaringen aanvoeren en overhandigen het aan het ministerie. Over het algemeen bleek dat de bevolking mild over deze wachtmeester dacht en allerlei voorvallen noemden die hem konden aanmerken als een goed vaderlander. Dat kwam deels door zijn houding van op de achtergrond blijven door zelf geen actie te ondernemen en desnoods tegen te werken. Hij was niet geüniformeerd en zijn werkterein was in het directe contact met de bevolking beperkter. De verwijten die eerder naar voren waren gebracht bleven bij de bevolking meestal onderbelicht. Naar aanleiding hiervan werd het besluit herzien op 29 juni 1948. Ondanks de uitkomsten van het uitgebreide onderzoek van de Vries zette de toenmalige burgemeester Jur Visser zijn straf om naar een berisping. Na de bevrijding werd deze wachtmeester ondanks het nog lopende hoger beroep toch aangesteld als lid van Politieke Opsporingsdienst. Hij was werkzaam vanuit Hilversum en heeft bij gedragen aan de dossiervorming van Spannenburg tijdens zijn voorarrest. Hij zond de documenten op naar Santpoort.

Aan de orde komt een opperwachtmeester, chef van de uniformdienst met de volgende staat van dienst:
1/7/21/ op verzoek eervol ontslagen uit militaire dienst en aangesteld als agent van politie te Naarden.
17/7/37 bevorderd tot brigadier van politie en op 1/9/39 aangesteld als waarnemend korpschef van politie te Naarden tot 1/6/1940. Op 16/12/43 bevorderd tot opperluitenant der staatspolitie en over geplaatst naar de gemeente Winsum (Gr) als afdelingscommandant der Koninklijke Marechaussee.

Begin 1945 werden tegen hem 4 klachten ingediend.
Dirk Laven, wonende te Naarden werd gezocht als illegaal werker en werd door de SD gezocht. Het was een vage zaak. Toen twee mannen van de SD naar de woning van Laven gingen om hem daar over te spreken, kwam Laven vroegtijdig naar buiten lopen met nog een paar vrouwen. De opper wachtmeester die de SD 'ers vergezelde wees ogenblikkelijk Laven aan door met zijn arm in zijn richting te wijzen. De SD 'ers wisten niet hoe Laven er uitzag. Tijdens het getuigenverhoor van een slager, wonende aan de Evert de Bruijnstraat, tegenover Laven, verklaarde deze dat de opper wachtmeester dit armgebaar had gemaakt. Laven werd aangehouden, geïnterneerd en veroordeeld tot 3 jaar en 11 maanden tuchthuis in Duitsland. Dit was volstrekt niet nodig geweest als deze opper wachtmeester hem niet had aan gewezen.
In Naarden werd door de Gestapo illegaal werker Kruijswijk gezocht. Hildegaard Barzik 32 jaar oud, wiens man al was gearresteerd wist de verblijfplaats van Kruiswijk. De opperwachtmeester heeft lang veel moeite gedaan haar te bewegen Kruiswijk te bewegen om zich te melden. Daarbij werden alle registers open getrokken en hij bleef pogingen ondernemen. Kruijswijk heeft zich niet gemeld.
De vrouw van Kruijswijk kreeg deze opper wachtmeester en Jongbloed aan de deur om op verzoek van de Gestapo haar man de arresteren. Hij was niet thuis. Dagen lang heeft deze brigadier bij de woning gepost en haar daar tussen door geprest tot aangeven. Hij deed alle mogelijke pogingen.

Egbert Pieter Smidt oud 55 jaar diende een klacht in tegen de opperwachtmeester. Hij, de opperwachtmeester en Jongbloed waren kennissen van elkaar en kwamen privé bij elkaar thuis. Zij waren beiden op de hoogte van het illegaliteitswerk van zoon Alex. De Gestapo had al enige tijd onderzoek verricht naar het doen en laten van Alex. In overleg met de politie Naarden werd besloten om Alex te arresteren. Een datum was vast gesteld. 3 uur voor het tijdstip van de arrestatie werden enige leden waaronder de opperwachtmeester en de inspecteur van het korps op de hoogte gesteld van dit voornemen. Jongbloed droeg geen kennis van de geplande arrestatie. Zowel de inspecteur als de opper die ruim de tijd hadden te waarschuwen ondernamen niets. Egbert had dit niet verwacht van de opper die hij toch zo goed kende. Alex Smidt werd op de vastgestelde datum en tijdstip in zijn werkplaats in de vesting gearresteerd. Op 11 mei 1942 werd hij gefusilleerd. Egbert beschouwde in zijn verklaring de Naardense politie als zeer onbetrouwbaar.
In één verklaring wordt melding gemaakt van een voorval, waarbij een vrouw uit haar slaapkamerraam hoort dat de krantenjongen tegen zijn broer die aan de overkant van de straat loopt roept: “Zullen we bij die moffen ook een krant bezorgen”. Zij meldt dit bij de politie (lees de opperwachtmeester) en deze haalt de jongen op en brengt hem naar het bureau. Kort daarna levert hij hem over aan Grüne Polizei. De jongen werd over gebracht naar Vught en is niet in Naarden teruggekeerd. De vrouw was een kennis van Spannenburg.
In totaal werd 9 processen verbaal van verhoor opgemaakt door de ambtenaren van de zuiveringscommissie. 1 proces-verbaal had betrekking op een vermelding dat hij oden had helpen huisvesten. Dit is later bevestigd door de bewoner van het pand waar de joden waren ondergedoken. De andere verhoren hadden betrekking op het waarschuwen mensen die op een lijst stonden van aan te houden personen ter overdracht aan de Duitsers. Deze lijst lag in een kast die stond op de kamer van Spannenburg. De opperwachtmeester stal deze lijst uit de kast en zag kans deze personen te waarschuwen. De te waarschuwen personen zijn of konden niet worden gehoord, maar enkele Naardense ingezetenen bevestigden dit verhaal. Vast staat dat deze opper wachtmeester de Jood Steinacher heeft gewaarschuwd en hem heeft geholpen een onderduikadres te vinden. (later werd deze toch gevonden en met zijn familie gearresteerd) Ten bewijze hiervan bevinden zich in de dossiermap twee bedankbrieven in de Duitse taal, geschreven door Steinacher. In de loop van 1943 krijgt de opperwachtmeester de opdracht zich te melden bij het (POS) politie officiersopleidingsschool. Jongbloed krijgt ook deze opdracht. Jongbloed zegt tegen hem dat hij het moet doen omdat het goed is voor zijn carrière. Jongbloed gaat om onbekende reden niet. De opperwachtmeester meldt zich in Apeldoorn bij het POS. Tijdens een van de verhoren tijdens de zuivering vertelt de opperwachtmeester hoe het inleidingsgesprek verliep in de school. Hij had een uitgebreid gesprek met de Duitse Majoor Goethe. Deze stelde een aantal vragen. Een van de vragen was hoe de opper wachtmeester dacht over de reorganisatie van de Nederlandse politie naar de nieuwe Staatspolitie ingericht overeenkomstig de nieuwe orde. Betrokkene antwoordde dat de reorganisatie hem wel beviel en dat het een verbetering was. Ook gaf hij aan dat hij de 'Duitse zaak' niet vervloekte. Hij weigerde echter toe te treden tot de NSB. Nadat hij liet blijken dat hij niet gediend was van een zuiver militaristische opleiding gaf Goethe aan dat het risico's voor hem inhield. Bij weigering van deze aanpak kon internering in Vught volgen. Hij verklaarde in zijn verhoor dat hij tegen over Goethe heeft verklaard de opleiding, ondanks zijn afkeer tegen dat facet, zou volgen. Goethe zou in zijn advies vermelden dat hij van mening was dat de brigadier toen opperwachtmeester “Glaubte in die neue orde”. Dit staat in de door de opper afgelegde verklaring.
Dit verhoor van de opperwachtmeester vond plaats op 20 juli 1945.

Op 16 december 1943 slaagde hij voor zijn eindexamen POS. Na eerst te hebben geweigerd werd hij op 2 januari 1944 gedwongen overgeplaatst naar Winsum in Groningen. Hij werd daar in de rang van opperluitenant van de Staatspolitie onder commando van de Marechaussee district Groningen groepscommandant. Hij kreeg direct te maken met personeelsproblemen. Binnen de groep werkte een politieman die lid was van de NSB en een politieman die zoals later bleek zeer actief was in het verzet. Er bestonden twee stromingen in de groep. De opperluitenant heeft daar tot aan de capitulatie redelijk doorheen weten te manoeuvreren. Dit werd ook bevestigd tijdens het verhoor van de toenmalige burgemeester van Winsum. Deze was overigens geen NSB lid. Hij verhuisde met zijn gezin naar deze woonplaats en ging wonen in een hotel aan de Hoofdstraat. Dat hotel werd gedreven door een ouder echtpaar die de dagelijkse werkzaamheden aan de dochter overlieten. Deze dochter collaboreerde met een Duitse officier. Hij heeft een half jaar in dat hotel gewoond en betrok daarna een deel van een woning van de hoofdonderwijzer van de plaatselijke school. (verklaring van een dorpsgenoot in Winsum die nog in leven is)

Op 15 december 1945 werd hij door de gewestcommandant politie Groningen gestaakt (1). Buiten functie kon hij het onderzoek afwachten. Tijdens de zuivering werd één collega van hem gehoord.

In het dossier bevind zich nog een korte verklaring van ene Willen Brouwer die verklaart van deze opperwachtmeester een levensmiddelenkaart te hebben gekregen voor zijn zieke zoon.

Aan de minister werden ongeveer 6 aanbevelingen gemaakt door hoofden van politiedistricten. Tussentijds kon de opperwachtmeester een reactie op deze aanbevelingen schrijven. Het moge duidelijk zijn dat zijn verweer heftig was en dat hij ook bij onomstotelijk bewijs het tegendeel beweerde. In de aanbevelingen was evenwel terug te vinden dat hij een aantal positieve bijdragen had geleverd. Met name de hulp aan joden bij het zoeken naar onderduikadressen. Daarbij had hij in een aantal zaken, ook bij geringe importantie steken laten vallen. Hem werd het meeste aan- gerekend, het volgen van de POS opleiding. Een regelrechte onderwerping aan de nieuwe orde. Daar stond tegenover zijn weigering NSB lid te worden.

Het eerste advies van de Minister in de richting van de personen die de aanbevelingen hadden gedaan was: terug zetting in rang naar adjudant OO (onderofficier) en aanstelling bij de toen nog in die vorm bestaande Marechaussee. En een verbod van 3 jaar op bevordering.
Weer volgde een aantal aanbevelingen (8) waarin werd geschreven (met deze woorden) dat hij dan goed wegkwam. Wat opvalt dat deze aanbevelingen ongedateerd waren en geschreven op blocnotevelletjes. Geen enkele formaliteit ademde het uit. Uiteindelijk op 1 september 1947 werd beslist dat hij zou worden teruggezet in zijn oorspronkelijke rang van opperwachtmeester der Rijkspolitie. Dit korps was net opgericht. Hij werd overgeplaatst naar de gemeente Hellevoetsluis en werd daar postcommandant Nieuw Helvoet. Later volgde de bevordering naar adjudant. Het tijdstip van overplaatsing klopt met de uit/overschrijving in het bevolkingsregister Winsum.
In de stukken bevindt zich nog een beoordeling over zijn functioneren. Op alle individuele punten (niet nader te noemen) scoort hij gemiddeld, maar in het vak omschrijving over het totaal functioneren, wordt hij omschreven als een man met een zwakke karakteristiek en geringe leiderschapskwaliteiten. Deze beoordeling was opgemaakt door de Crommandant Marechaussee district Groningen.
Een man die in de tweede wereldoorlog als politieman in het schemergebied heeft geopereerd en geen duidelijk keuzes heeft gemaakt. Dat hij uiteindelijk geen officier is gebleven heeft hij te danken aan de POS opleiding.

De Politieopleiding Officiersschool ( P.O.S.) werd in juni 1942 opgericht en gehuisvest in het voormalige Depot van de Koninklijke Marechaussee aan de Zwolseweg te Apeldoorn. Tot in 1941 was daar de School Opleiding Officieren Marechaussee ( S.O.O.M) ondergebracht. De officieren in opleiding te Apeldoorn hadden grotendeels een nationaal socialistische inslag gemeen en waren lid van de NSB, het Rechtsfront of de Nederlandse (later Germaanse) SS.
De eerste leergang startte met 102 cursisten en aan de tweede leergang namen 65 cursisten deel. In juni 1943 verhuisde de POS naar Het Apeldoornse Bos, nadat de patiënten en het personeel van deze joodse psychiatrische inrichting waren gedeporteerd.

Opmerkingen:
Het gehele dossier is zeer onoverzichtelijk en bestaat uit processen verbaal van verhoor, waarop vaak geen datum staat wanneer het verhoor plaats vond. De personalia van te verhoren klagers, getuigen en anderen worden wisselend vermeld. Soms geboortedatum en plaats, soms alleen de leeftijd en vaak zonder nauwkeurige adressering. Soms ook alleen de achternaam en verder niets (zoals bij Kruijswijk en Steinacher) De processen-verbaal van verhoor bevatten veel niet terzake doende informatie, verklaart door de te horen persoon. De verweerschriften van de opperwachtmeester, soms met de hand geschreven, hebben soms inhoudelijk niets te maken met de feiten waar het om draait. Het lijkt of hij niet begrijpt waar het werkelijk om gaat. Bladzijden zijn door hem vol geschreven over zijn steun aan joden, maar geen woord over zijn toetreding tot het P.O.S. De belangrijkste reden waarom hij werd gestaakt. Bovendien bevat het veel hand geschreven notities van beslissende en adviserende politiechefs. In veel gevallen worden die notities weer volgeschreven met contra adviezen in vaak onduidelijk handschrift. Het geheel ademt een haastig en ongecontroleerd proces uit waarbij aan de hand van de bewijzen, verhoren, aanbevelingen aan de minister wordt gerapporteerd wat er met de betrokken politieambtenaar moet gebeuren. De lezer krijgt sterk de indruk dat het gehele proces onder tijdsdruk is afgelegd. Het aantal daadwerkelijke klachten is gering. Ze zijn allemaal ingediend in 1945. Uiteindelijk is het in de jaren na de oorlog voor de opperwachtmeester goed gegaan en hij heeft zijn loopbaan gewoon voort weten te zetten.

De Naardense dossiers (totaal 12) bevatten nog een aantal zuiveringsdossiers, maar deze hebben geen gevolgen gehad voor de betrokken ambtenaren. Bij beslissingen werd altijd gekeken of laakbaar gedrag voldoende was gecompenseerd. Een korpslid heeft de opleiding in de Westenberg kazerne te Schalkhaar, bij het Politieopleidingsbataljon doorlopen. Deze tijdelijke plaatsing vond gedwongen plaats en woog tijdens de zuivering niet mee. Wel geven ze voor een deel het beeld dat hun gedrag kon worden samengevat, als het kritiekloos uitvoeren van opdrachten gegeven vanaf het boven hen gestelde gezag zonder de ruimte te zoeken om deze opdrachten te saboteren en vooral in het tonen van laakbaar gedrag jegens de bevolking door het nemen van eigen initiatief.(2)


Van een andere orde was het gedrag van de toenmalige korpschef P.J.A Spannenburg. De aanwezigheid van deze man die leiding gaf aan het korps heeft grote invloed gehad op het gedrag van het hele korps. Dat werd nog versterkt door de aanwezigheid van een NSB-burgemeester. De Naardense politieambtenaar kreeg het daardoor moeilijker.

Petrus Johannes Anthonius Spannenburg, werd geboren op 19 juni 1903 te Ambt-Almelo.

Hij overleed op 17 april 1978 te Venlo. Hij groeide op in een streng Rooms katholiek gezin. Hij was gehuwd met Gerarda Theodora Maria Peters, geboren op 24 mei 1905 te Vriezeveen, ook afkomstig uit een streng Rooms Katholiek gezin. (3)
Het echtpaar had 3 kinderen.
Spannenburg genoot na zijn lager onderwijs, 2 jaar ULO en 3 jaar Handelsschool. Na zijn schooltijd ging hij werken in een winkel voor ijzerwaren aan de Grootsstraat 44 te Almelo. (een pand die nu niet meer bestaat) In 1923 ging hij in militaire dienst bij het 9e Regiment infanterie te Arnhem. Hij zwaaide af met groot verlof als sergeant. Op 5 oktober 1925 trad hij in overheidsdienst bij de Koninklijke Marechaussee te Breda. Hij werkte daar tot 16 maart 1928 en stapte toen over naar de gemeentepolitie in Blerick, gemeente Maasbree en werd aangesteld als agent. In november 1930 werd hij korte tijd gemeenteveldwachter en op 1 november 1940 hoofdagent-rechercheur in de gemeente Venlo. Dit na een korte tijd op wachtgeld te hebben gestaan, wegens de annexatie van Blerick door de gemeente Venlo. In zijn diensttijd in Venlo volgde hij de burgemeesters cursus. Hij werd in eerste instantie geschikt bevonden om te werken in een kleine gemeente. Later werd echter beter naar de resultaten gekeken. De cijferlijsten bevinden zich in zijn dossier. De eerste aanbeveling werd terug genomen en hij werd alsnog ongeschikt bevonden vanwege de matige resultaten in de vakken financiën en gemeenterecht. Op 15 juli 1941 werd hij opperwachtmeester der Kon. Marechaussee, 3e compagnie en gedetacheerd bij het politie opleidingsbataljon te Schalkhaar als vakleraar. Hij was inmiddels (september 1940) lid geworden van de N.S.B. en het Rechtsfront Nederland. Hij was in Blerick kringleider. Omdat dat hem veel meer kans op een geslaagde toekomst gaf, zo verklaarde hij in zijn verhoren. In zijn tijd als politieman in Blerick en Venlo maakte hij veel propaganda voor de N.S.B. en Rechtsfront. Dit tot ergernis van veel van zijn collega's. In de N.S.B. organisatie bekleedde hij geen functies. In het strafdossier bevinden zich de ledenlijsten uit de oorlogsjaren waarin Spannenburg trouw zijn contributie voor de N.S.B. van Fl 0.50 per maand afdroeg. Hij bleef gedurende de hele oorlogstijd lid van beide organisaties. In de jaren 1941 – 1942 was hij lid van de Hollandse SS. Hij werd daaruit ontslagen omdat hij weigerde de eed van trouw aan Hitler af te leggen. In 1943 werd hij lid van de Germaanse SS en bekleedde de rang van Mann. ( SS-mann, soldaat)

Nog een vereiste was, om een onderzoek in te stellen naar zijn voorouders. De Arische afkomst moest worden vastgesteld. Spannenburg heeft daartoe een volledig genealogisch overzicht aangeleverd over zijn voorouders. Hij heeft daarvoor zijn politionele achtergrond gebruikt toen hij in Blerick woonde. Dit blijkt uit de in het dossier aanwezige briefwisselingen. Zelfs een naamsverandering in 1813 moest worden verantwoord. Op 19 juni 1943 legde hij de eed van trouw aan de Führer af. Een vereiste om lid van deze organisatie te worden.
Op 1 januari 1943 werd hij als opperluitenant – korpschef, aan gesteld bij de gemeentepolitie Naarden. Zijn jaarwedde bedroeg Fl 2948. In juni 1944 vertrok hij naar Velsen en werd daar in de rang van Kapitein – korpschef aangesteld. De echtgenote van Spannenburg G.Th.M. Peters was ook lid van de N.S.B. (stamboeknummer 123786) en lid van de Nederlandse Volksdienst N.S.V.O. Zij werd aan het einde van de oorlog buiten vervolging gesteld. (3)

Het dossier van Spannenburg is ongeveer 12 centimeter dik en bevat stukken over zijn tijd in Velsen en Naarden. Uit alles blijkt dat hij verantwoordelijk werd gehouden voor alles wat zijn ondergeschikten in zijn opdracht moesten uitvoeren. Dat deze ondergeschikten zich afzonderlijk moesten verantwoorden voor de gevolgen blijkt uit de zuiveringsdossiers. In ernstige gevallen werd dan ook veronderstelt dat van deze politieambtenaren enig onderscheidingsvermogen werd gevraagd en zij zich niet altijd konden beroepen op de kreet opdracht is opdracht. Tegen Spannenburg werden een groot aantal klachten ingediend. Zelfs tijdens de behandeling van zijn zaak in de Bijzondere Raadkamer werden nog klachten ingebracht. Gedurende de tijd dat Spannenburg in Naarden was heeft hij diverse opdrachten gegeven die betrekking hadden op het handhaven van de spertijd, het in beslagnemen van radiotoestellen, het vorderen van fietsen en het handhaven van de distributiewetten. Dat waren voor de Naardense inwoners lastige zaken die veel ergernis opwekten. Maar over het algemeen werkten daar veel korpsleden vrijwillig aan mee. In ieder geval werden deze opdrachten nauwgezet uitgevoerd. Ernstiger was het opsporen en arresteren van inwoners van Joodse afkomst, onderduikers, lieden uit het verzet, illegale werkers en het doen van huiszoekingen zonder daaraan voorafgaande toetsing door de rechterlijke macht. Spannenburg is daarin zeer fanatiek te werk gegaan en liet geen moment ongemoeid om die zaken tot uitvoering te brengen.

Het onderzoek richtte zich in hoofdzaak tot de aanhouding, overbrenging en transport naar de SD dan wel Westerbork of Vught waar hij rechtstreeks leiding aangaf van:

In of omstreeks 1943 vragen de volgende zaken aandacht. -H.W.F Pas die onderdak gaf aan de jood Spiero.
De laatste keerde nooit terug en Pas kreeg gevangenisstraf .
februari 1943
-Verzetsman J van der Horst, kreeg gevangenisstraf en verbleef gedurende lange tijd in Duitsland in een kamp.
Juli 1943
-F. Stulp (beheerder van de Wijde Blik op Valkeveen), W.J.M. van Breukelen en F. Frohn. (overval op distributiekantoor Huizen) De eerste werd enige tijd vastgehouden en kwam vrij zonder een proces. Van Breukelen werd gefusilleerd en begraven in het massagraf te Overveen. Frohn werd weggevoerd naar Duitsland. Hij kwam terecht in concentratiekamp Oranienburg, werd over gebracht naar Neuengamme en kwam daar om het leven.
29 September 1943
-In de woning Meentweg 6 te Naarden werden gearresteerd de joden, Hans Steinmacher, zijn echtgenote Lotte Steinacher Hahn, de moeder van Steinacher, Steinacher Oberdorfer en zijn grootmoeder Oberdorfer . Alle vier werden in een gerichte actie weggevoerd met twee auto's. Hans Steinachter die in een invalidewagen zat werd samen met zijn moeder weg gebracht in één auto. Lotte mocht mee om hem te begeleiden. Op de terugweg kwam Lotte mee om nog enige spullen mee te nemen uit de woning en werd samen met grootmoeder ook naar het politiebureau gebracht. Alle vier zijn over gebracht naar Westerbork. Grootmoeder is in een concentratiekamp om het leven gekomen. Steinacher, zijn vrouw en moeder overleefden het kamp en zijn na de oorlog gaan wonen in Montivideo Uruquay aan de Rambla, Pep de Chile 3807. Getuige M.E. Fuld, bankdirecteur, was aanwezig en legde een getuigenverklaring af. Later wordt een tweede verklaring afgelegd door H. Fuld, de vader van M.E. Fuld. Hij bevestigt de lezing van zijn zoon als getuige en toen aanwezig in de woning.

Maart 1944
-De jodin F.F.W. v Ameron wordt in een woning gearresteerd en komt in een Duits kamp om het leven.
April 1944
-In de woning van J.A. de Weerd, geboren Grotenhuis, worden drie joden gearresteerd, te weten, het echtpaar van Hessen en mejuffrouw Kannegieter. De Weers wordt na enige maanden vrijgelaten, maar de drie joodse mensen worden afgevoerd naar Westerbork en komen in het concentratiekamp Bergen – Belsen om het leven.
Mei 1944
–In de woning van kleermaker W. Groenhard wordt Thomas Kok gearresteerd. Hij had zich aan de arbeidsdienst onttrokken. Hij wordt geïnterneerd in kamp Amersfoort, vrij gelaten en kort daarna weer gearresteerd door de N.S.B. burgemeester van Naarden v Leeuwen in het bijzijn van Spannenburg. Hij gaat weer naar Amersfoort en wordt wederom vrijgelaten omdat er geen transportmogelijkheden naar Duitsland zijn. Hij duikt het laatste oorlogsjaar weer onder en overleeft.
25 januari 1944
1.– L Honselaar wordt gearresteerd in zijn woning omdat hij zijn radiotoestel niet heeft ingeleverd. Hij wordt overgedragen aan de SD en verdwijnt.
Spannenburg heeft alle hierboven staande gedragingen bekend in zijn verhoren en voor zijn rechters. Ook verklaarde hij dat Willy van Breukelen en Frits Frohn door hem zijn gearresteerd op Valkeveen. Onder het hoofdkussen van v Breukelen trof hij een pistool aan. Uit een later verhoor van de vader van Frits Frohn bleek dat van Breukelen inderdaad aan de overval op het distributiekantoor ten Huizen had deelgenomen. Frits Frohn had daarmee niets van doen en zat in theehuis de Wijde Blik alleen ondergedoken om te ontkomen aan te tewerkstelling in Duitsland. Hij werd echter mee genomen als medeverdachte aan de overval.

De andere verwijtbare gedragingen worden in het vonnis als volgt samen gevat.
Als opperluitenant heeft hij nog andere onderduikers, joden, illegale werkers en personen die werden verdacht van anti-Duitse gedragingen met en in samenwerking met anderen aan hem ondergeschikten gearresteerd en over gedragen aan de SD. Deze personen zijn verhoord door diverse kriminal-secretar van de SD (nader gehoord na hun arrestatie) Bovendien heeft hij huiszoekingen verricht al dan niet met het onder hem staande personeel.
In 1943 werd aan het politiebureau onderwijs gegeven aan het personeel. Spannenburg gaf Strafrecht en Strafvordering, J Weeren gaf Duitse les. Een agent gaf exercitie.

Na zijn overplaatsing naar Velsen, heeft Spannenburg zich daar ook schuldig gemaakt aan misdaden met als hoofdzaak de jacht op onderduikers in de leeftijdscategorie 17 tot 40 jaar.
Samen met de Duitse Feld-gendarmerie werden er diverse razzia's gehouden die onder leiding stonden van Spannenburg. Deze vonden plaats in de maanden november en december 1944. De meest in het oog springende was de arrestatie van 26 onderduikers in een kerk in Velsen. Op 7 mei 1945 wordt Spannenburg in het politiebureau aangehouden door opperwachtmeester van politie H. Berkhout en opgesloten in de gevangenis van Haarlem. Daar worden in beslaggenomen zijn sabel, aktetas en radio. Tevens wordt beslag gelegd op zijn vermogen en de gehele inventaris van zijn woning. Dit is zeer nauwkeurig omschreven. Op 16 mei 1945 krijgt hij in zijn woning de Genestetlaan in Velsen het stuk betekend met de mededeling dat hij is geschorst. Op 6 december 1945 wordt hij ontslagen als kapitein – korpschef met een vervallenverklaring van alle pensioenrechten. Zijn vermogen plus inventaris wordt vast gesteld op Fl. 3537,10 en overgedragen aan de Nederlandse Beheersdienst (een tijdelijk ingestelde dienst). Deze beheersdienst heeft afzonderlijke dossiers in het Nationaal Archief. Deze open dossiers zijn ingezien. Tijdens het onderzoek verblijft hij in de gevangenis van Haarlem, maar wordt later overgeplaatst naar Scheveningen. Op 17 november 1947 volgt het vonnis, uitgesproken door M. van Vugt, vicepresident van het bijzonder gerechtshof te Amsterdam. Spannenburg gaat direct in Cassatie. De uitspraak in Cassatie volgt op 20 juli 1948 en hij wordt veroordeeld tot 15 jaar gevangenisstraf wegens verregaande ontrouw aan staat en bevolking. Als maatregelen werd beslist dat hij ontzetting kreeg uit:

*het bekleden van ambten;
*het dienen bij de gewapende macht;
*het kiezen en de verkiesbaarheid bij of krachtens wettelijk voorschrift uitgeschreven verkiezingen;
Deze maatregelen stonden voor het leven.

Zijn vrouw kreeg op 18 april 1948 van dat jaar recht op een pensioen Tevens kreeg zij op 1 juli 1949 het beheer over bezittingen en vermogen uit de huwelijksgemeenschap. Dit pensioen was op 29 september 1953, 70% maar werd op die datum vastgesteld op 90%. Zij ging wonen in Santpoort – Velsen, Dr Schuitstraat. Na het vonnis werd Spannenburg over gebracht naar de gevangenis in Breda voor de tenuitvoerlegging. Op 6 december 1951 besliste de Kroon dat zijn straf werd verminderd tot 13 jaar. Het voorarrest van 7 mei 1945 tot 21 juli 1948 werd er weer vanaf afgetrokken.

Op 9 juni 1950 werd een ingediend gratieverzoek afgewezen.
De Advocaat – Fiscaal vatte het gedrag van Spannenbug als volgt vast. Verdachte heeft reeds bij het begin van de bezettingsperiode resoluut de zijde van de vijand gekozen en dit gedurende de gehele bezettingstijd vol gehouden en terreur uitgeoefend op de bevolking terwijl het juist zijn taak was deze bevolking te beschermen. Hij was de schrik van de bevolking door het opsporen van personen die de vijand niet welgevallig waren. Hij toonde daarbij een niets ontziende activiteit voor wat hij beoogde. Hij heeft geen enkele bekommernis aan de dag gelegd over het lot dat hen te wachten stond nadat hij hen aan de vijand had overgeleverd.

Een voorval onderstreept het karakter van deze man.
In Velsen gaf hij een van zijn ondergeschikten de opdracht het stoffelijk overschot van een gedode man op te halen en deze naar het crematorium te brengen. De wachtmeester trof het ontklede lijk daar aan en kiste hem. De man was Jan Bonekamp (verzetsman) en vriend van Hannie Schaft. Hij bracht hem vervolgens naar het crematorium. Op het bureau terug kreeg hij van Spannenburg de opdracht om het zelfde te doen met een jonge vrouw. Tegensputterend ging de wachtmeester weer terug en trof een ontkleedde mishandelde dode vrouw aan. Ook deze bracht hij naar het Crematorium.

Zeer kwaad kwam de politieman op het bureau terug en verklaarde dat Spannenburg hem dat niet weer moest flikken. Een paar dagen daarna gaf Spannenburg een ander de opdracht de urnen op te halen. Na aankomst op het bureau plaatste Spannenburg de twee urnen in de vensterbank van zijn kamer en zei tegen de politieman, laat dat een goede waarschuwing zijn. Zo gaat dat met terroristen en die vensterbank gaat vol. Deze handelswijze is te lezen in 3 processen verbaal van verhoor.

In het dossier bevind zich de lidmaatschapskaart van de N.S.B. van Spannenburg 1943 – 1944. Een aanhangsel van deze kaart het het opschrift:

Gods vertrouwen;
liefde voor volk en vaderland;
eerbied voor den arbeid.
P.J.A. Spannenburg
Sophialaan
Naarden.

Eind 1943 verzocht hij bij de N.S.B. de antecedenten na te trekken van wachtmeester van de gemeentepolitie Huizen. Spannenburg wilde aanvulling van zijn korps. Hij kreeg als antwoord dat deze politieman zeer vijandig stond tegenover de N.S.B., de Duitse bezetter en Duitse overheid. Getekend de districtsleider, met de Germaanse groet, Hou Zee.

Spannenburg nam hem niet.

Nawoord.
In 1945 bestond het korps Naarden uit 17 leden inclusief één administratief ambtenaar. Van deze 17 zijn er 12 dossiers door de zuiveringscommissie behandeld. De drie niet gezuiverde ambtenaren zijn in dienst gekomen in 1943 en waren afkomstig van de Koninklijke Marechaussee en het landleger. Ze zijn op grond van hun gedrag en ingediende klachten, vastgesteld door de zuiveringscommissie, buiten de beoordeling gebleven. (er zijn wel dossiers vastgelegd) Tegen hen zijn geen maatregelen of straffen genomen. Wel vielen ze onder het algehele oordeel over het korps, als het kritiekloos uitvoeren van opdrachten gegeven vanaf het boven hen gestelde gezag zonder de ruimte zoeken om deze opdrachten te saboteren en vooral in het tonen van laakbaar gedrag jegens de bevolking door het nemen van eigen initiatief. Dit zoals eerder verwoord in dit stuk. (2)Twee anderen hadden het korps al verlaten, één omdat hij voortijdig ontslag had genomen en gekregen en een tweede kreeg in 1946 een aanstelling als korpschef in Meppel. Hij was administrateur in Naarden. Een tweede administrateur die in de loop van de oorlog in dienst kwam (mogelijk als tweede man) is ook nergens in de dossiers terug te vinden. Kennelijk was er geen aanleiding om het oorlogsverleden van deze twee mensen te onderzoeken. Opmerkelijk is ook het feit dat na het vertrek van Spannenburg in juni 1944, hij werd op gevolgd door de opperluitenant A. Kuipers. Van deze politieman is in het gehele dossier Gemeentepolitie Naarden niets terug te vinden. Een verklaring hiervoor kan zijn, dat hij net voor het einde van de oorlog Naarden heeft verlaten en in een andere gemeente / standplaats is gezuiverd. Op de lijst staat hij van 1944 tot 1945.

In de Gooi & Eemlander van 24 januari 1944 staat een vermelding dat A. Kuipers het commando heeft gekregen over de Gemeentepolitie Bussum Het zou mogelijk kunnen zijn dat Kuipers tot mei 1945 ook het commando over de politie Naarden heeft gehad. In dat geval bevind zijn dossier zich in de gesloten dossiers van de gemeentepolitie Bussum. Die zijn door ons niet onderzocht.

Met betrekking tot Spannenburg is het stuk dat u heeft gelezen een hele korte samenvatting van het bestaande dossier. Dit is zo omvangrijk dat het onmogelijk is om dit in zijn geheel te weerleggen. Het geeft een korte indruk over de gedragingen van deze man en de punten waarvoor hij is veroordeeld.

(1) Gestaakt:
Een politieambtenaar werd op voorhand op non-actief gesteld en uit het korps verwijderd met behoud van salaris. tot de zuiveringsbeslissing of het vonnis van de rechtbank onherroepelijk waren geworden.

(2) Verantwoording.
In dit stuk komen diverse zinsneden voor waarbij de indruk wordt gewekt dat het de mening is van de schrijvers. Dat is niet zo. Alles wat geschreven is komt één op één uit de zuiveringsdossiers. In veel processen-verbaal werd al dan niet gevraagd meningen te geven over groepen of individuen. Het waren zuiveringsdossiers en geen strafdossiers waarin dat niet is toegestaan. Een voorbeeld hiervan is het algemene oordeel over het korps.
Aan het einde van de procedure die door opperwachtmeester de Vries was afgerond, heeft hij in een afzonderlijk proces-verbaal zijn visie gegeven op het handelen van de korpsleden die een zuiveringsdossier hadden (12 stuks) Hij heeft dit proces-verbaal opgemaakt in opdracht van de Gewest Commandant der Rijkspolitie in Amsterdam. Dus deze visie is van hem.

(3) gegevens terug te vinden in het dossier Spannenburg omdat zijn echtgenote lid was van de NSB.